Kennispublicatie: Harmonisatieafspraken en interpretatiebesluiten

Vanuit het Bouwbesluit 2012 wordt voor bepaalde brandbeveiligingsinstallaties de aanwezigheid van een inspectiecertificaat volgens het CCV-inspectieschema brandbeveiligingssyteem versie 12.0 geëist. Deze eisen worden gesteld op basis van bepaalde criteria en gelden voor brandmeldinstallaties, ontruimingsalarminstallaties, vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen (VBB) en rookbeheersingsinstallaties. Maar wat wordt er geëist? In deze kennispublicatie beperken we ons tot de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie. Eisen volgens het Bouwbesluit 2012 Vanuit het Bouwbesluit 2012 wordt voor bepaalde brandbeveiligingsinstallaties de aanwezigheid van een inspectiecertificaat volgens het CCV-inspectieschema brandbeveiligingssyteem versie 12.0 geëist. Afhankelijk van het gebruik van het gebouw (gebruiksfunctie, omvang, hoogste vloer van de gebruiksfunctie boven meetniveau) en een eventueel beroep op gelijkwaardigheid kan vanuit het vigerende publiekrecht worden geëist dat één of meer van de volgende installaties geïnspecteerd moet worden, : Brandmeldinstallaties; Ontruimingsalarminstallaties; Vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen (VBB); Rookbeheersingsinstallaties. In de artikelen 6.20 lid 6 (brandmeldinstallatie), 6.23 lid 4 (ontruimingsalarminstallatie)en 6.32 lid 1 (automatische brandblusinstallatie) en lid 2 (rookbeheersingsinstallatie) van het Bouwbesluit 2012 wordt een verwijzing gemaakt naar het CCV-inspectieschema brandbeveiligingssysteem. In deze kennispublicatie beperken we ons zoals geschreven tot de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie. Doelstellingen Het CCV-inspectieschema is gericht op het vaststellen, conform NEN-EN-ISO/IEC 17020, door een inspectie-instelling type A, of een brandbeveiligingssysteem in een bouwwerk overeenstemt met algemene eisen. Deze algemene eisen worden aangeduid als ‘afgeleide doelstellingen’ en moeten passen bij het gebruik van het betreffende bouwwerk en de daaraan verbonden brandrisico’s. De brandbeveiligingsinstallatie(s) en de daarmee samenhangende bouwkundige, installatietechnische en organisatorische randvoorwaarden, die gezamenlijk het brandbeveiligingssysteem vormen dienen hierbij te worden beoordeeld. Harmonisatieafspraken Bij inspectie van een brandbeveiligingssysteem kunnen zich situaties voordoen waarin de normen of voorschriften niet voorzien. Dit doordat bijvoorbeeld het normatieve kader niet toereikend is om voor een bepaald inspectiepunt genuanceerd en een eenduidig goed- of afkeur vast te stellen. Aanvullend hierop kan er tevens behoefte zijn om het inspectieschema of het normatief kader aan te passen op basis van nieuwe inzichten en/of nieuwe technieken. Het is dan benodigd om een algemeen geldige afspraak te maken voor de manier waarop de betreffende situatie zal worden beoordeeld. Ten behoeven van de uniformiteit kan dit in de vorm van een harmonisatie-afspraak (alle inspecteurs beoordelen de betreffende situatie op dezelfde manier) of een interpretatie van de norm/het voorschrift. In het document “Harmonisatie-afspraken voor inspectie VBB-BMI-OAI-RBI op afgeleide doelstellingen versie 2.0” worden de harmonisatie-afspraken en interpretaties van de norm/het voorschrift beschreven die de inspectie-instellingen op afgeleide doelstellingen in de praktijk gebruiken. Inspectie, brandbeveiliging en kennis zijn namelijk niet statisch. Er kunnen nieuwe inzichten ontstaan, die ook weer nieuwe harmonisatie-afspraken nodig maken. Daarom wordt dit dynamisch document periodiek aangevuld en zo nodig verbeterd. Hiervoor is een deskundigenpanel onder auspiciën van de Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging van het CCV verantwoordelijk, waardoor de inbreng van belanghebbenden is gewaarborgd. Belangrijk is om aan te geven dat de opgenomen harmonisatieafspraken in het betreffende document niet toepasbaar zijn voor het ontwerpen of leveren van brandbeveiligingsinstallaties. Het is wel van belang dat de betreffende situatie zich niet beperkt tot een enkel incident. Wanneer geconstateerd wordt dat dit niet het geval is, vindt tussen de betrokken inspectie-instellingen harmonisatie plaats. Dit leidt tot een geharmoniseerd standpunt, dat wordt toegevoegd aan het normatief kader. Wil een geharmoniseerd standpunt opgenomen worden in het betreffende harmonisatiedocument dan dienen wel aan een aantal voorwaarden voldaan te worden. Hierbij zijn de volgende voorwaarden van belang: Een geharmoniseerd standpunt moet – net als het beschikbare normatief kader – bijdragen aan, en leiden tot de afgeleide doelstelling; De invulling op het juiste niveau van, en de balans tussen de B-, O- en I-maatregelen leiden tezamen tot de afgeleide doelstelling. Een geharmoniseerd punt kan eruit bestaan dat ongunstige omstandigheden worden opgeheven door bepaalde gunstige omstandigheden. Het is niet toegestaan om de ongunstige omstandigheden van meerdere geharmoniseerde standpunten op te heffen door één gunstige omstandigheid; Geharmoniseerde standpunten moeten zijn onderbouwd. Hierdoor is herleidbaar dat het standpunt zal leiden tot de afgeleide doelstelling en binnen welke grenzen het standpunt kan worden toegepast. Elke harmonisatie-afspraak gaat volgens een vastgestelde (uniforme) opzet en dient als volgt te worden weergegeven: waarneming: datgene wat de inspecteur tijdens de inspectie waarneemt; toelaatbare grenzen (normatief kader): het criterium of de criteria waarop de inspecteur tot goed/afkeur komt – het normatief kader; onderbouwing: de onderbouwing waarom de genoemde criteria zullen leiden tot de afgeleide doelstelling. Interpretatiebesluit bij CCV-inspectieschema Het kan voorkomen dat een harmonisatie-afspraak dusdanig is dat hiervoor een voorbereiding wordt getroffen van een interpretatie van de norm NEN 2535 en NEN 2575. Zodra het CCV de interpretatie heeft gepubliceerd komt de betreffende harmonisatie-afspraak te vervallen en wordt dan als interpretatiebesluit opgenomen. Het gaat dan met name om situatie’s die op verschillende manieren in de normbepaling, voorschrift of regel geïnterpreteerd kunnen worden waarvoor er een éénduidige uitleg moet komen. Wanneer het interpretatiebesluit later opgenomen wordt in de norm, voorschrift of de regel, kan de betreffende interpretatie komen te vervallen. Hooguit blijft het interpretatiebesluit bestaan voor de oudere normen die dan nog van toepassing zijn. Een interpretatiebesluit die opgenomen is in de NEN 2535:2017 betreft bijvoorbeeld artikel 10.11.5.8 uit de NEN 2535:2017 “Plaatsing van rookmelders in ruimten met bijzondere plafondconstructies”. Documenten die betrekking hebben op het harmonisatiedocument en de interpretatiebesluiten zijn terug te vinden op de website van het CCV. Interpretatiebesluit bij CCV-certificatieschema De interpretatiebesluiten bij het CCV-certificatieschema zijn alleen bedoeld voor de bedrijven die erkend zijn als branddetectiebedrijf en daarbij gecontroleerd zijn door een certificeerde instelling zoals bijvoorbeeld CIBV, Kiwa of Dekra. Het is belangrijk dat de schema’s up-to-date blijven. Door veranderde techniek of risico’s kunnen schema’s verouderen waardoor ze onvoldoende aansluiten bij de praktijk, waardoor de veiligheid van eindklanten in het geding zouden kunnen komen. Voor de behandeling van technisch-inhoudelijke vraagstukken kan de commissie van belanghebbende één of meer deskundigenpanel(s) aanstellen die zich over dit vraagstuk buigen. Wanneer er een onduidelijkheid is omtrent voorwaarden uit het certificatieschema en dit gecorrigeerd moet worden om up-to-date te blijven kan er een harmonisatie-afspraak komen. Deze afspraak betreft het resultaat van een overleg tussen de certificatie instellingen en de schemabeheerder en is daarna op te vatten als een harmonisatie-afspraak. Documenten die betrekking hebben op de interpretatiebesluiten van het CCV-certificatieschema zijn terug te vinden op de website van
Kennispublicatie: een ontruimingsoefening uitgevoerd, hoe nu verder?

Organisaties uit verschillende branches voeren jaarlijks ontruimingsoefeningen uit. Als adviseurs op het gebied van brandveiligheid komen wij het vaak tegen dat er wel jaarlijks ontruimingsoefeningen worden uitgevoerd, maar dat er niet goed geëvalueerd wordt en dat eventuele actiepunten uit deze oefeningen blijven liggen. Dit komt vaak doordat de personen binnen de organisaties niet weten wie of hoe deze actiepunten opgepakt dienen te worden. Dit is niet alleen zonde van alle kennis, tijd en energie die er in deze oefeningen is gaan zitten maar zorgt uiteindelijk onder aan de streep ook voor onwenselijke en onveilige situaties. Maar hoe pak je de adviezen en actiepunten die uit de ontruimingsoefeningen zijn gekomen dan op? Grondslag ontruimingsoefeningen Op basis van artikel 6.20 uit het Bouwbesluit 2012 wordt bepaald of een bouwwerk voorzien dient te zijn van een brandmeldinstallatie. Wanneer er een vereiste is voor het hebben van een brandmeldinstallatie dient op basis van artikel 6.23 lid 6 er tevens een ontruimingsplan aanwezig te zijn. Deze dient eens in de zoveel tijd, vaak wordt jaarlijks geadviseerd, geoefend te worden, voor het uitvoeren van een ontruimingsoefening ligt geen vereisten vast in de wetgeving, anders dan in de Arbowet wordt aangegeven dat een werkgever verantwoordelijk is voor een veilige werkomgeving en dit een onderdeel ervan is. Belang van het evalueren van ontruimingsoefeningen Een ontruimingsoefening is uitgevoerd op een locatie. Vaak volgt hierna een korte evaluatie met de betrokkenen op locatie. Hierna wordt (eventueel) een evaluatierapport opgesteld zodat nagekeken kan worden hoe de oefening is verlopen en welke actiepunten naar voren zijn gekomen. Het is van groot belang dat dit evaluatierapport door alle betrokkenen gelezen worden zodat iedereen op locatie op de hoogte is van de uitgevoerde oefeningen en hoe deze oefeningen is verlopen. Er kan ook een evaluatiemoment zelf gepland worden met alle personen die op de hoogte dienen te zijn van de uitgevoerde oefening en welke actiepunten hieruit naar voren zijn gekomen. Zodat belanghebbenden kunnen leren van deze oefening. Belang van het oppakken van de actiepunten van ontruimingsoefeningen Als er een ontruimingsoefening heeft plaatsgevonden komen hier vaak actiepunten uit naar voren. Enkele voorbeelden van dit soort actiepunten zijn: Het opnieuw indelen van beschermde subbrandcompartimenten; Het aanbrengen van een kleefmagneten; Het aanpassen van een ontruimingsplan; Het oefenen met bepaalde materialen welke tijdens een ontruiming van pas kunnen komen. Het is van groot belang dat deze actiepunten worden opgepakt en verholpen worden. Dit kan worden gedaan door het opstellen van een actieplan (Plan van Aanpak) of het oefenen met verschillende materialen tijdens de BHV-trainingen. Deze actiepunten komen voort uit een oefening, maar als er daadwerkelijk een calamiteit zich voordoet zijn deze punten niet geborgd en kunnen deze voor (levens)gevaarlijke situaties zorgen. Daadwerkelijke situatie en consequenties Als adviseurs op het gebied van brandveiligheid komen wij het vaak tegen dat de evaluatierapporten ergens in een kast belanden en dat hier niet meer naar omgekeken wordt. Tijdens een nieuwe ontruimingsoefening, vaak een jaar later, komen dezelfde actiepunten naar voren. Dit zou niet mogen gebeuren. Het kan zelfs gebeuren dat uw organisatie benadeeld wordt door nalatigheid indien u de actiepunten niet verholpen hebt terwijl deze wel vastgesteld zijn na een ontruimingsoefening. Een verzekeringsmaatschappij kan nagaan of u voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en of er veilig is gehandeld. Wilt u meer advies over deze casus? Heeft u geen inzicht in hoe u het beste om kunt gaan met de actiepunten uit de evaluatierapporten en wie welke acties binnen uw organisatie op dient te pakken? Neem dan contact op met Brafon en wij kunnen zorgen voor een optimaal actieplan (Plan van Aanpak) wie binnen uw organisatie deze actiepunten op dient te pakken. Of de actiepunten verwerken in een passende BHV-training. Heeft u bijvoorbeeld al eens gedacht om de actiepunten in te delen in de BIO-aspecten (bouwkundig, installatietechnisch of organisatorisch), om deze actiepunten op te pakken en eventueel uit te zetten? Op al deze en verdere vragen helpt Brafon u graag verder. Tijdens diverse opleidingen, zoals Aankomend Brandpreventie Deskundige, wordt ook uitleg gegeven over de ontruimingsoefeningen.
Kennispublicatie: bekijk je programma van eisen opnieuw

Heeft uw brandmeldinstallatie (BMI) en ontruimingsalarminstallatie (OAI) een actueel Programma van Eisen (PvE)? Zo ja, mooi, dan is het voor u waarschijnlijk helemaal duidelijk hoe de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie functioneert ten tijde van een brand. Maar wat nu als het Programma van Eisen al een behoorlijk aantal jaren oud is en niet meer aansluit op de huidige situatie binnen uw gebouw. Op het moment dat het PvE niet meer strookt met de daadwerkelijke situatie bestaat de mogelijkheid dat zich een onveilige situatie kan voordoen. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat de bewakingsomvang vergroot moet worden (meer melders plaatsen). Als eigenaar/gebruiker bent u verantwoordelijk voor het hebben van een (brand)veilig gebouw en bent u in overtreding indien dit niet het geval is. Net als met het onderhoud van de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie is het wenselijk om regelmatig het PvE voor de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie er bij te pakken om te kijken of deze nog overeenkomt met uw huidige situatie. Wat te doen als blijkt dat het huidige PvE niet meer voldoet? Maar weet u ook wat er van u wordt verwacht ten aanzien van het PvE? Het kan bijvoorbeeld zijn dat: de gebruiksfuncties niet meer overeenkomen met de huidige situatie; de door de BMI gestuurde installaties niet meer aanwezig zijn; aanwezige sturingen niet beschreven staan, of; er verbouwingen hebben plaatsgevonden die van invloed zijn op de projectie. Op het moment dat deze situatie(s) zich voordoet kan het zijn dat de brandveiligheid onvoldoende op orde is. Als eigenaar/gebruiker moet u ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de voorschriften. U bent immers verantwoordelijk voor de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie. Dit betekent dat het PvE dan ook aangepast moet worden, zodat deze weer aansluit op de daadwerkelijke situatie en de overtreding is weggenomen. Wat is het doel van een PvE Het PvE wordt door het Bouwbesluit 2012 indirect vereist. Wanneer er een brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie wordt geëist vanuit het Bouwbesluit 2012 volgens artikel 6.20 en artikel 6.23 wordt in deze artikelen de normen NEN 2535 (brandmeldinstallatie) en NEN 2575 (ontruimingsalarminstallatie) aangestuurd. In deze normen staat dat er altijd (normatief) een PvE voor de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie aanwezig moet zijn. In het PvE moeten de eisen voor deze installaties vastgelegd worden/zijn van alle eisende partijen die hierbij betrokken zijn. In de meeste gevallen zullen de eisende partijen het bevoegde gezag, de eigenaar en/of de gebruiker zijn. We zien de laatste tijd dat de verzekeraars ook steeds vaker een eisende partij zijn met specifieke, privaatrechtelijke eisen. Het doel van dit PvE is dat alle partijen gebruik kunnen maken van het PvE en dat dit PvE een helder en eenduidig beeld geeft van alle uitgangspunten, zodat alle betrokkenen weten wat ze moeten doen. Denk hierbij aan de onderstaande aspecten: Het branddetectiebedrijf weet wat zij moeten gaan ontwerpen, installeren en opleveren; Het PvE nodig is om eventueel een installatiecertificaat te kunnen krijgen; Het PvE nodig is om een inspectiecertificaat te kunnen krijgen indien geëist; Het PvE een naslagwerk is voor de eigenaar/gebruiker; Het PvE nodig is voor het onderhoudsbedrijf om het onderhoud aan deze installaties op de juiste wijze te kunnen uitvoeren. Voorbeeld samenhang PvE met verschillende partijen Kortom, het PvE is de basis van de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie!! Hoe te werk gaan om het huidige PvE weer aan te passen? Wanneer geconstateerd wordt dat het PvE aangepast moet gaan worden, zal eerst gekeken moeten worden om welke aanpassing(en) het eigenlijk gaat. Wat we zien is dat de gebouwen de laatste jaren regelmatig van gebruiksfunctie veranderen of dat er meerdere gebruiksfuncties in het gebouw zijn toegevoegd. Men zal in deze situaties dan ook eerst goed moeten inventariseren welke gebruiksfuncties daadwerkelijk in het gebouw aanwezig zijn. Vanuit het Bouwbesluit 2012 , artikel 6.20 lid 1, kan vervolgens bepaald worden welke bewakingsomvang bij welke gebruiksfunctie van toepassing is. Zeker bij meerdere gebruiksfuncties is het noodzakelijk dit zeer goed op te schrijven, zodat duidelijk is welke bewakingsomvang bij welke gebruiksfunctie hoort. Dit vraagt vaak wel specifieke kennis van het Bouwbesluit 2012. In veel PvE’s staat een lijst met de automatische brandbeveiligingsinstallaties die aangekruist worden als ze door de brandmeldinstallatie worden of moeten worden aangestuurd. In veel bestaande PvE’s is er bij de toelichting niet aangegeven wat het resultaat van de sturing moet zijn. Om de sturingen op een juiste wijze in het PvE op te nemen is expertise van wet- en regelgeving noodzakelijk, maar ook de kennis van de mogelijkheden van de bestaande installaties in het gebouw. Bij een aantal brandbeveiligingsinstallaties is het simpel in te vullen, zoals bij kleefmagneten en flitslichten. Bij andere installaties is dit niet zo eenvoudig. Een voorbeeld hiervan is het sturen van de luchtbehandelingsinstallatie. Vanuit diverse partijen (waaronder de brandweer) werd en wordt geadviseerd om alle systemen uit te schakelen bij een brandsituatie, enkel de recirculatie uit de schakelen of rook maximaal af te voeren en verse lucht toe te voeren. Belangrijk te benoemen is dat hieromtrent geen wettelijk eis is opgenomen in de bouwregelgeving. Het is aan de eigenaar/gebruiker om dit te bepalen, samen met de PvE-opsteller (overleg met bevoegd gezag is aan te bevelen). Wanneer alle wijzigingen zijn aangepast kan het raadzaam zijn om deze aanpassingen te overleggen met het bevoegde gezag. Ook kan het, in gevallen waarin een inspectiecertificaat geëist wordt, mogelijk raadzaam zijn om ook te overleggen met de inspectie-instelling, zodat er geen verrassingen ontstaan bij een inspectie. Op het moment dat alle eisende partijen akkoord zijn met de aanpassingen is het de bedoeling om het aangepaste PvE te laten ondertekenen door de eisende partijen. Na de ondertekeningen kunnen de werkzaamheden die gedaan moeten worden ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het is niet raadzaam om deze werkzaamheden voor de goedkeuring te laten uitvoeren, omdat zich misschien nog wijzigingen voordoen. Werk moet dan opnieuw worden uitgevoerd, wat onnodige kosten met zich meebrengt. Wilt u meer verdieping? Is het PvE opgesteld zodat er wordt voldaan aan de wettelijke eisen? Welke keuzemogelijkheden hebt u als eigenaar of gebruiker? Mag u een PvE zelf opstellen? Het antwoord op deze en andere vragen vindt u in de opleiding ‘Programma van
Kennispublicatie: nut en noodzaak van een ontruimingsplan

Het komt regelmatig voor dat er in één gebouw meerdere gebruikers aanwezig zijn. In deze situaties is het belangrijk dat de ontruimingsprocedures goed op elkaar zijn afgestemd. Hoe werken de verschillende gebruikers samen tijdens een ontruiming of andere calamiteit binnen het gebouw? Wie neemt welke verantwoordelijkheid? Er zijn verschillende mogelijkheden voor het opstellen van ontruimingsplannen waarbij meerdere gebruikers aanwezig zijn. Hierover wordt in kennispublicatie een nadere toelichting gegeven. Grondslag ontruimingsplan Vanuit het Bouwbesluit 2012 is een ontruimingsplan vereist (art. 6.23 lid 6) als er een vereiste is voor het hebben van een brandmeldinstallatie als bedoeld in art. 6.20. Er worden geen specifieke prestatie-eisen gesteld aangaande de inhoud van een ontruimingsplan, hoe deze eruit kan komen te zien is vrij te bepalen, mits wordt voldaan aan de functionele-eis. De interne en externe alarmeringsprocedure alsmede de vastgestelde ontruimingsprocedure dienen in het ontruimingsplan te worden opgenomen: Welk type calamiteit doet zich voor? Wie heeft welke verantwoordelijkheid? Wie voert welke taken uit? Waar verzamelen de aanwezige personen buiten het gebouw? Wordt het gehele gebouw in één keer ontruimd? Of gebeurt dit in fases? Zijn alle aanwezige personen zelfredzaam? Worden de hulpdiensten automatisch gealarmeerd? Er is wel een NEN-norm (de NEN 8112) welke als leidraad voor het opstellen van een ontruimingsplan gebruikt kan worden, echter wordt deze norm niet wettelijk aangestuurd, waardoor deze geen rechtstreekse juridische binding heeft. Wel wordt in de artikelsgewijze nota van toelichting van art. 6.23 aangegeven dat de NEN 8112 kan worden gebruikt voor het opstellen van een ontruimingsplan. In deze NEN-norm staan alle onderwerpen beschreven om tot een goed ontruimingsplan te komen. Belang ontruimingsplan Een ontruimingsplan is van groot belang tijdens een ontruiming van een gebouw. Door tijdige alarmering kan er snel tot een ontruiming over worden gegaan en het gebouw kan worden ontruimd en er weinig tot geen slachtoffers vallen door een calamiteit. Om het opgestelde ontruimingsplan te toetsen, wordt er geadviseerd jaarlijks een ontruimingsoefening uit te voeren om na te gaan of het ontruimingsplan nog voldoet aan de huidige situatie in het gebouw. Meerdere gebruikers in één gebouw Wanneer er meerdere gebruikers in een gebouw zitten is het eveneens belangrijk een passend ontruimingsplan te hebben op locatie, bij de verplichting tot het hebben van een brandmeldinstallatie. Wie neemt welke taken op zich? Wie vervult welke rol tijdens een ontruiming? Hoe wordt er onderling gecommuniceerd? Zoals hierboven beschreven is er een wettelijke grondslag voor het hebben van een ontruimingsplan. Eveneens ligt in artikel 19 van de Arbowet vast dat; er bij aanwezigheid van verschillende werkgevers is het wettelijk vastgelegd dat deze doeltreffend moeten samenwerken tijdens een calamiteit. Artikel 19: Verschillende werkgevers 1) Indien in een bedrijf of een inrichting verschillende werkgevers arbeid doen verrichten, werken zij onderling op doelmatige wijze samen teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren. 2) Alvorens werkzaamheden behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie aanvangen zorgen de werkgevers ervoor dat schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zal worden samengewerkt, welke voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend bron: Arbowet’. Maar hoe het ontruimingsplan vorm wordt gegeven en wie welke verantwoordelijkheden draagt, ligt niet wettelijk vast. Welke rol een gebruiker in een ontruimingsplan krijgt / aanneemt, hangt van meerdere factoren af, als voorbeeld kan gegeven worden: hoeveel personen behoren bij één gebruiker? Waar hangt de brandmeldinstallatie (kunnen alle gebruikers hierbij)? Zodoende dient er goed gekeken te worden naar wie welke rol in neemt en welke taken een bepaalde gebruiker op zich neemt. Ontruimingsplan opgesteld door gebouweigenaar en gebruikers tezamen De eigenaar van een gebouw dient huurders van het bouwwerk nauw te betrekken bij het opstellen van het ontruimingsplan. Er dient onderling een band te ontstaan ten tijde van een ontruiming. In het gezamenlijke ontruimingsplan dienen alle taken per gebruiker vastgelegd te worden. Elke gebruiker kan zijn of haar eigen taken uitvoeren en deze kunnen onderling afgestemd worden. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan de onderlinge communicatie tussen de verschillende gebruikers. Hoe kan dit het beste uitgevoerd gaan worden? Ontruimingsplan opgesteld door afzonderlijke gebruikers Er kan ook gekozen worden door de gebruikers om allen een eigen ontruimingsplan op te stellen. De ontruimingsplannen dienen dat wel op elkaar afgestemd te worden en geadviseerd wordt dat er getoetst wordt (tijdens een ontruimingsoefening) of de taken en samenwerking goed verloopt. Wanneer dit niet zo is dienen de ontruimingsplannen aangepast te worden en beter op elkaar afgestemd te worden. Leer meer over ontruimingsplannen Wilt u meer leren over de eisen die er gelden bij het opstellen van een ontruimingsplan en welke voorschriften er zijn op het gebied van ontruimingsplannen? Dan moet u zeker de opleiding ‘Aankomend Brandpreventiedeskundige‘ volgen. In deze opleiding worden de voorschriften vanuit de bouwregelgeving op hoofdlijnen behandeld, welke eisen er gelden voor het opstellen van een ontruimingsplan, welke norm hiervoor wordt aangewezen en wat in een ontruimingsplan moet zijn opgenomen. Hulp nodig bij het opstellen van een passend ontruimingsplan? Brafon kan hulp bieden bij het opstellen van een passend ontruimingsplan. Zowel voor één gebruiker per gebouw of voor meerdere gebruikers per gebouw. Met meerdere gebruikers één ontruimingsplan opstellen heeft al vaker zijn vruchten afgeworpen tijdens een ontruiming of andere calamiteit, gezien er dan meer samenhang gecreëerd wordt. Voor ieder gebouw en iedere gebruiker is er een passende oplossing! Neem gerust contact op met Brafon en zie wat wij hierin voor u kunnen betekenen.
Kennispublicatie: Ontwerpbesluit brandveiligheid parkeergarages

De Rijksoverheid heeft het ontwerpbesluit ‘Brandveiligheid parkeergarages (Besluit Bouwwerken Leefomgeving)’ gepubliceerd. Met de aanscherping van verschillende (bouwkundige) eisen omtrent de brandveiligheid van parkeergarages moet het risico een moeilijke hulpverlening worden geminimaliseerd. Gebleken is dat de kans dat er bij een brand in een parkeergarage meerdere auto’s in brand raken en dat deze brand zich steeds verder verplaatst is toegenomen. Aanbevelingen van het IFV De (bouw)eisen voor de brandveiligheid van parkeergarages waren onvoldoende afgestemd op de moderne auto’s, die steeds groter zijn en bestaan uit meer kunststof. Uit onderzoek van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) is een gebleken dat het verplicht toepassen van automatische blusinstallaties bij parkeergarages zeer wenselijk is. Daarom is het IFV ook met aanbevelingen gekomen. Bij deze parkeergarages en bovengelegen gebouwen is het risico het grootst dat een brand niet beheersbaar is voor de brandweer en dat bewoners/gebruikers een gebouw niet tijdig kunnen ontvluchten. Verplichte blusinstallatie in bepaalde gevallen Met het gepubliceerde ontwerpbesluit is in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) geregeld dat bij nieuw te bouwen parkeergarages onder gebouwen waarin wordt geslapen verplicht een automatische blusinstallatie moet worden toegepast. De verplichting geldt voor parkeergarages die liggen onder een gebouw met een vloer hoger dan 13 meter. Hiervan zijn uitgezonderd parkeergarages die niet groter zijn dan 1000 m2 en waarbij het bovengelegen gebouw een vluchtroute heeft die niet bereikbaar is vanuit de parkeergarage. Tevens moet de blusinstallatie zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat. Dit certificaat moet aan verschillende eisen voldoen. Ook worden in het nieuwe ontwerpbesluit eisen gesteld aan nieuw in parkeergarages te plaatsen oplaadpunten. Dit geldt voor zowel nieuw- als bestaande bouw. Inwerkingtreding De inwerkingtreding van het nieuwe ontwerpbesluit volgt op een later te bepalen tijdstip. Volledig rapport Wilt u het volledige rapport lezen, klik dan hier. Dossier Brandveiligheid van parkeergarages Al meerdere keren heeft Brafon bericht over de brandveiligheid van elektronische voertuigen en de brandveiligheid van parkeergarages. Rapport met brandveiligheidsmaatregelen voor parkeergarages met elektrische voertuigen gepubliceerd Kennispublicatie Brandveiligheid in parkeergarages Sprinklerinstallatie verplichten in parkeergarages onder hoogbouw
Kennispublicatie: Brandklasse textiele vloerbedekking

De gemeenschappelijke verkeersruimten van woongebouwen worden veelal ten behoeve van een gezellige woonsfeer met meubels ingericht en voorzien van aankleding (zoals schilderijen, verlaagde plafonds en vloerbedekking). Dat deze inrichting en aankleding de brand- en vluchtveiligheid binnen een woongebouw significant kan beïnvloeden is mede uit de recentelijke nieuwjaarsbrand in de galerijflat in Arnhem (2020) waarbij twee personen om het leven zijn gekomen gebleken. Deze ramp heeft veel discussie en ophef op het gebied van brandveiligheid tot gevolg gehad en is in de eerder door Brafon geschreven kennispublicatie ‘Brandveilig gebruik van woongebouwen’ behandeld. In deze kennispublicatie wordt aandacht besteed aan de aankleding van gemeenschappelijke verkeersruimten binnen een woongebouw, waarbij specifiek wordt ingezoomd op textiele vloerbedekking in deze ruimten. Constructieonderdeel vs. aankleding Vanuit de vigerende bouwregelgeving worden diverse eisen gesteld aangaande de brand- en rookklassen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen constructieonderdelen en aankleding. Om deze voorschriften op de juiste wijze toe te kunnen passen is het van essentieel belang om te weten wanneer er sprake is van een ‘constructieonderdeel’ en wat onder ‘aankleding’ wordt verstaan. Gezien beide termen niet in de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen, wordt ten behoeve van een objectieve beoordeling de uit het ‘Praktijkboek Bouwbesluit 2012’ en de nota van toelichting op artikel 7.4 Bouwbesluit 2012 voortvloeiende betekenis van deze termen aangehouden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat bouwkundige onderdelen en gebouwgebonden installatieonderdelen onder de term ‘constructieonderdeel’ vallen. Onder aankleding wordt verstaan: ‘een niet tot bouwen behorend onderdeel van een bouwwerk … dat dient ter verfraaiing, zoals gordijnen, wandafwerking, vloerbedekking en versiering (bijvoorbeeld slingers)’ (Bron: Praktijkboek Bouwbesluit 2012). De bovenstaande definities zijn als uitgangspunt voor het opstellen van deze kennispublicatie aangehouden. Geconcludeerd kan worden dat vloerbedekking in gemeenschappelijke verkeersruimten aangemerkt moet worden als ‘aankleding’. Brandklasse vloerbedekking – eisen bouwregelgeving De voorschriften aangaande de brand- en rookklasse welke in afdeling 2.9 van het Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen gelden in de basis enkel voor constructieonderdelen en derhalve niet voor aankleding, zoals vloerbedekking. Het Bouwbesluit 2012 voorziet echter in een artikel waarin specifieke eisen worden gesteld aan de aankleding binnen een ruimte (artikel 7.4 – aankleding). Vanuit dit artikel mag aankleding in een besloten ruimte geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is niet aanwezig indien de aankleding: een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert; onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064; voldoet aan brandklasse A1 als bedoel in NEN-EN 13501-1; voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in afdeling 2.9, of; een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden. Gezien vloerbedekking in een woongebouw onder de definitie van aankleding valt, zijn de bovenstaande eisen rechtstreeks van toepassing. Bij nieuw te plaatsen vloerbedekking kan redelijk eenvoudig aan de gestelde eis worden voldaan door een vloerbedekking toe te passen welke aantoonbaar (doormiddel van een certificaat of testrapport) aan ten minste één van de gestelde criteria voldoet. Met name toegepaste vloerbedekking in bestaande gebouwen, waarvan de documentatie niet te achterhalen is, kan resulteren in twijfels. Een beoordeling of aankleding wel of geen ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert (onderdeel a) blijkt in de praktijk lastig te bepalen, gezien een beoordeling met een bepaalde mate van subjectiviteit wordt gedaan. Vanuit de nota van toelichting van artikel 7.4 wordt als uitgangspunt aangehouden dat een brand via aankleding niet als een ‘lopend vuurtje’ door de ruimte mag verspreiden. Gezien textiele vloerbedekking niet onbrandbaar is kan geen beroep op sub b en sub c van artikel 7.4 Bouwbesluit worden gedaan. Op basis hiervan wordt gesteld dat de brand- en rookklassen welke gelden voor constructieonderdelen in de betreffende ruimte ook gelden voor vloerbedekking (o.b.v. artikel 7.4 sub d). Voor beloopbaar vlak, grenzend aan de binnenlucht van een woongebouw, geldt een brandklasse Dfl of Cfl, en een rookklasse s1fl, bepaald conform NEN-EN 13501-1 (nieuwbouweis; publiekrechtelijke bovengrens1). De geëiste brandklasse is afhankelijk van de eventuele status van een ruimte. Voor een ruimte waardoor een (extra) beschermde vluchtroute van een woonfunctie voert geldt een brandklasse Cl, in overige ruimten volstaat brandklasse Dfl. De gemeenschappelijke verkeersruimten van een woongebouw zijn of dienen veelal te zijn of worden uitgevoerd als een extra beschermde vluchtroute, waardoor aankleding in deze ruimten ten minste dient te voldoen aan een brandklasse Cfl. N.B. De vigerende bouwregelgeving voorziet in een uitzondering van 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen welke zijn vrijgesteld van de geëiste brand- en rookklasse. Gezien het oppervlakte vloerbedekking in een ruimte normaliter > 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen uitmaakt is deze uitzondering in deze kennispublicatie niet nader behandeld. Beproevingsmethode Het toekennen van brandklassen van horizontale constructieonderdelen vindt overeenkomstig Europese beproevingsnormen plaats, middels een zogenaamde ‘vloeraanstralingstest’ (NEN-EN-ISO 9239-1). Hierbij wordt het proefstuk aangestraald en de horizontale branduitbreiding en de rookafgifte van het product gemeten.
Kennispublicatie: rookmelders in bestaande bouw

Rookmelders worden vanaf 1 juli 2022 verplicht voor alle woonfuncties. Tot die datum zijn rookmelders (conform NEN 2555) bij woonfuncties (regulier en voor zorg) enkel verplicht voor een nieuw te bouwen woonfunctie of bij een functiewijziging naar een woonfunctie. Ook voor bestaande woonfuncties worden rookmelders vanuit het publiekrecht verplicht. Op welke wijze dit voorschrift is opgenomen in de bouwregelgeving en welke consequenties dit met zich meebrengt, wordt hieronder toegelicht. De overheid heeft besloten een voorschrift in het Bouwbesluit 2012 op te nemen dat rookmelders verplicht in de bestaande woonomgeving. Dit omdat de meeste slachtoffers bij brand vallen door het inademen van rook. Snelle alarmering doormiddel van rookmelders kan hierdoor van levensbelang zijn. Wettelijke grondslag Regelgeving aangaande het installeren van rookmelders is reeds opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Artikel 6.21 geeft in lid 1 aan dat rookmelders voor een te bouwen woonfunctie (reguliere woonfuncties en woonfuncties voor zorg) en bij een functiewijziging naar een woonfunctie vereist zijn volgens de primaire inrichtingseisen als benoemd in de NEN 2555. Art. 6.21 lid 1: “Bij een te bouwen woonfunctie en bij functiewijziging naar een woonfunctie heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen als bedoeld in NEN 2555. Dit geldt niet voor een woonfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20.” Mocht sprake zijn van een verplichting tot het hebben van een brandmeldinstallatie, geldt dit voorschrift niet. Bij woonfuncties voor zorg zal in veel gevallen een brandmeldinstallatie vereist zijn. Voor regulier wonen (zonder zorg) is een brandmeldinstallatie niet vereist. Aan artikel 6.21 is lid 6 toegevoegd (Stb. 2021, 147), dit is hieronder weergegeven. Dit voorschrift vereist dat rookmelders tevens verplicht zijn in bestaande bouwwerken vanaf 1 juli 2022. Deze rookmelders dienen te voldoen aan de NEN-EN 14604, niet aan de NEN 2555. (NEN 2555 geeft de eisen voor optische 230 V gevoede rookmelders. Deze voldoen aan NEN-EN 14604.) Art. 6.21 lid 6: “Een bestaande woonfunctie heeft op iedere bouwlaag met een verblijfsruimte of met een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een rookmelder die voldoet aan EN 14604. Deze eis is niet van toepassing tot 1 juli 2022.” Projectie-eis De projectie-eis vanuit lid 6 wijkt af van de projectie-eis, zoals omschreven in artikel 6.21 lid 1. Vanuit lid 6 wordt gesteld dat op iedere bouwlaag een rookmelder geïnstalleerd moet worden. Dit betekent bijvoorbeeld dat een éénkamerwoning, waarbij de verblijfsruimte direct grenst aan de uitgang van een woonfunctie, ook voorzien moet worden van een rookmelder. In tegenstelling tot nieuwbouw en functiewijziging worden er geen eisen gesteld aan de verdere projectering en doorkoppeling van de rookmelders. Ook hoeven de rookmelders niet te zijn aangesloten op elektrische voorzieningen. Volstaan kan worden met rookmelders op batterijen. CE-markering Benoemd moet worden dat rookmelders die in Nederland in de handel zijn, voorzien moeten zijn van een CE-markering (op basis van deze NEN-EN 14604). Deze verplichting staat tevens in het Bouwbesluit en is in een eerdere publicatie uitgelegd. Besluit Bouwwerken Leefomgeving Nieuwe regelgeving zou in eerste instantie pas ingevoerd gaan worden bij de inwerkingtreding van het nieuwe Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Echter, is implementatie van deze nieuwe regelgeving ondertussen meermaals uitgesteld. Om deze reden zijn de eisen voor rookmelders in bestaand vastgoed reeds voorschreven vanuit het Bouwbesluit 2012. De inwerkingtreding van het BBL is momenteel vastgesteld op 1 januari 2023. Dit BBL geeft hetzelfde voorschrift in hoofdstuk 3 (bestaande bouw). Onderstaand is het desbetreffende artikel vanuit de laatst gepubliceerde versie van het BBL weergegeven. Art 3.117 lid 1: “Een woonfunctie heeft op iedere bouwlaag met een verblijfsruimte of met een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een rookmelder die voldoet aan EN 14604.” Toepassing van het voorschrift Het voldoen aan regelgeving omtrent het toepassen van rookmelders in bestaande bouw is de primaire verantwoordelijkheid van de eigenaar van het gebouw. Bij verhuur, in een huurovereenkomst kunnen taken en plichten bij de huurder worden neergelegd, de verantwoordelijkheid kan echter niet worden weg gecontracteerd. De eigenaar dient er zeker van te zijn dat eigen vastgoed overeenkomstig de hierop van toepassing zijnde voorschriften wordt gebruikt. Om hierin als wooncorporatie of zorginstelling te voorzien is het te adviseren brandveiligheidsbeleid te voeren. Op deze wijze kan de uitvoering worden georganiseerd en aanvullend hierop worden beheerd en geborgd. Indien een bouwwerk in handen van particuliere bezitters is, dient de eigenaar van dit particuliere bezit zorg te dragen voor het aanbrengen van de rookmelders. Het bevoegd gezag kan hieromtrent handhavingsbeleid voeren. Advisering Brafon kan u als adviesbureau adviseren en ondersteunen bij het juist projecteren van rookmelders. Dankzij onze unieke samenwerking met NEST kunnen wij u altijd helpen aan een moderne oplossing waarbij de veiligheid van uw vastgoed gerealiseerd en geborgd wordt. Tijdens diverse installatietechnische opleidingen, zoals Projecteringsdeskundige brandmeldinstallaties, wordt ook diepgaande uitleg over rookmelders gegeven.
Kennispublicatie: sturing brand- en rookkleppen
Op 1 juli 2021 zijn meerdere voorschriften toegevoegd aan en aangepast in het Bouwbesluit 2012. Er zijn onder andere voorschriften met betrekking tot rookwerendheid opgenomen in de bouwregelgeving. Maar welke aanpassingen zijn daadwerkelijk toegevoegd en welke normen gelden nu? En wat wordt er nu geëist met betrekking tot brand- en rookkleppen? Met deze nieuwste kennispublicatie duiken we dieper in de wet- en regelgeving omtrent deze bouwkundige aanpassingen. Conform welke norm? Vanuit de nieuwe voorschriften worden er voor nieuwbouw (en in bepaalde situaties bij verbouw) eisen gesteld aangaande de weerstand tegen rookdoorgang (WTRD) vanuit subbrandcompartimenten (art. 2.94a) en beschermde subbrandcompartimenten (art. 2.94b). Aanvullend hierop geldt er in specifieke situaties een WTRD tussen vluchtroutes met een beschermde status (art. 2.107a). Bij een verbouwactiviteit worden er specifieke eisen gesteld vanuit artikel 2.95. Rookwerendheid dient te worden bepaald conform de NEN 6075:2020. Op basis van de benoemde voorschriften zijn een tweetal grenswaarden toegevoegd aan het Bouwbesluit, wetende: Ra (ambient) – ookwerendheid bij omgevingstemperatuur (20°C) R200 – Rookwerendheid bij 200°C Hieronder zijn de vanuit de bouwregelgeving voortvloeiende voorschriften m.b.t. de WTRD in stroomschema’s weergegeven. Toepassing van voorschriften is als vanzelfsprekend afhankelijk van de gekozen/aanwezige gebruiksfunctie(s). Artikel 2.94a. Weerstand tegen rookdoorgang: subbrandcompartiment Artikel 2.94. Weerstand tegen rookdoorgang: subbrandcompartiment Artikel 2.107a. Inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang De Woningwet stelt dat bouwwerken moeten voldoen aan de eisen zoals aangegeven in het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit 2012 geeft de minimale veiligheidseisen waaraan een bouwwerk dient te voldoen, onderverdeeld in onder andere het nieuwbouwniveau en bestaande bouw niveau. Voor nieuwbouw dient er rekening te worden gehouden met de hierboven omschreven eisen aangaande rookwerendheid. Deze voorschriften gelden echter niet voor het niveau bestaande bouw. Of er bij een verbouwactiviteit rekening dient te worden gehouden met de nieuwe eisen m.b.t. het weren van koude en warme rook vloeit voort uit de in het Bouwbesluit 2012 opgenomen verbouwvoorschriften. Naar aanleiding van de recentelijke wijziging van het publiekrecht omtrent de Weerstand tegen rookdoorgang (WTRD) en de hieruit voortvloeiende gevolgen voor het sturen van brand- en rookwerende kleppen heeft Brafon diverse vragen vanuit de markt ontvangen met betrekking tot de projectering van rookmelders t.b.v. het aansturen van rookwerende voorzieningen in luchtkanalen. In deze kennispublicatie wordt de interpretatie van Brafon inzake de projecteringsvoorschriften van rookmelders t.b.v. de sturing van rookkleppen tot in detail uitgeschreven. Brand- en rookkleppen Doel van een ventilatiesysteem is het om lucht binnen het gebouw te verplaatsen. Op basis hiervan hebben de nieuwe voorschriften omtrent rookwerendheid grote impact op ventilatiekanalen, welke brand- en rookwerende scheidingen doorkruisen. Via het ventilatiekanaal mag immers geen normatief overschrijdende vorm van rookverspreiding naar aangrenzende (beschermde) subbrandcompartimenten plaatsvinden. Tot aan 1 juli 2021 werden brandkleppen toegepast in brandscheidingen. Deze worden onder druk getest en weren ook koude en warme rook. Echter, het smeltloodmechanisme van de brandklep sluit het klepblad alleen in de situatie dat de temperatuur van het smeltlood 72° C overschrijdt. Gezien er vanuit de gereviseerde bouwregelgeving tevens rekening dient te worden gehouden met rookverspreiding bij omgevingstemperatuur (Ra) zijn brand- en rookkleppen enkel op smeltlood onvoldoende. Dit zorgt voor een te grote mate van rookverspreiding, waarmee niet wordt voldaan aan het normatieve kader. Dit impliceert dat er in groot aantal situaties gebruik dient te worden gemaakt van gestuurde brand- en rookwerende kleppen, welke bij een brandmelding automatisch sluiten om rookverspreiding via het ventilatiekanaal te beperken NEN 6075:2020 Vanuit de NEN 6075:2020 (Bepaling van de weerstand tegen rookdoorgang tussen ruimten) worden voor ventilatiekanalen een aantal mogelijkheden benoemd om te kunnen voldoen aan de gestelde WTRD. Het ventilatiekanaal dient te zijn voorzien van een brand- en rookwerende klep De mechanische ventilatie dient gedurende 20 minuten na brandmelding actief te blijven (met uitgeschakelde recirculatie) of; Er zijn enkel ventilatieopeningen in hetzelfde (beschermde) subbrandcompartiment aanwezig. In deze kennispublicatie wordt de eerst genoemde oplossing nader behandeld.Vanuit paragraaf 6.3.3 van de NEN 6075:2020 worden er eisen gesteld aan de aansturing van rookklep in een ventilatiekanaal. ‘Een rookklep in een kanaal wordt aangestuurd door een rookmelder als bedoeld in NEN 2555 of een rookmelder in een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, met de rookmelder geplaatst in de ruimte van waaruit de rookdoorlatendheid wordt bepaald, of geplaatst in het desbetreffende kanaal. In het laatste geval moet de melder, gezien vanuit de ruimte van waaruit de rookdoorlatendheid wordt bepaald, zijn geplaatst vóór de klep.’ Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit deNEN 6075 verschillende mogelijkheden zijn om rookkleppen te sturen: Stand-alone rookmelders conform NEN 2555; Rookmelders, onderdeel van een brandmeldinstallatie, conform NEN 2535; Stand-alone kanaalmelder; Kanaalmelder in een brandmeldinstallatie, conform NEN 2535. Deze oplossing wordt in deze kennispublicatie niet nader uitgewerkt. Rekening moet worden gehouden met een proefbrand wanneer voor deze oplossing wordt gekozen. N.B. Het toepassen van een thermische en multisensor-melder is op basis van de NEN 6075 niet toegestaan. Ondanks dat de norm verschillende mogelijkheden benoemt om rookkleppen te sturen, zijn in de NEN 6075:2020 geen concrete projecteringseisen opgenomen. NEN 2555:2008 Vanuit par. 6.3.3 van de NEN 6075:2020 wordt verwezen naar de NEN 2555 (Rookmelders). In de vigerende NEN 2555:2008 (aangestuurd vanuit de Regeling Bouwbesluit 2012) zijn de projecteringsvoorschriften in hoofdstuk 8 van de norm opgenomen. Opgemerkt wordt hierbij dat de NEN 2555 primair is opgesteld voor woonfuncties, niet voor de aansturing van de brandveiligheidsvoorzieningen. De aan te houden maximale A- en D-maat van de rookmelders zijn afhankelijk opgenomen in tabel 1 en afhankelijk van de ruimtehoogte. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat door het opvolgen van de projecteringsvoorschriften vanuit de NEN 2555 ‘ruimtebewaking’ toegepast dient te worden. NEN 2535:2021 (ontwerpnorm) Vanuit par. 6.3.3 van de NEN 6075:2020 wordt verwezen naar de NEN 2535 (Brandmeldinstallaties). De vigerende NEN 2535:2017 (aangestuurd vanuit de Regeling Bouwbesluit 2012) voorziet niet in een specifieke projecteringseis met betrekking tot rookkleppen. Echter is in de NEN 2535:2021 (ontwerpversie) paragraaf 6.13.3.13 ‘Projectierichtlijn voor rookmelders voor het aansturen van rookkleppen’ opgenomen. ‘6.13.3.13 Projectierichtlijn voor rookmelders voor het aansturen van rookkleppen 6.13.3.13.1 Algemeen Voor het sturen van rookkleppen bij brand worden rookmelders toegepast. NEN 6075 geeft onder andere richtlijnen voor het toepassen van rookmelders voor
Kennispublicatie: vier nieuwe noodverlichtingsdeskunidgen

Een feestje op kantoor! Liefst vier collega’s behaalden afgelopen periode hun diploma Noodverlichtingsdeskundige. Zij volgden de gelijknamige opleiding bij zusterorganisatie Obex Opleidingen en hebben vervolgens bij CITO het officiële examen afgelegd. Met succes. We feliciteren Tyrza, Richard, Nick en Pieter graag met hun diploma! Brafon vindt het belangrijk dat de eigen medewerkers altijd op het juiste kennisniveau zijn én blijven. Relaties van Brafon moeten op onze kennis en advisering kunnen vertrouwen. Daarom hecht Brafon veel waarde en het kennisniveau dat op deze manier op peil blijft. Tevens wordt op deze manier ook de persoonlijke ontwikkeling van onze collega’s gestimuleerd. Het diploma Noodverlichtingsdeskundige is een volgende stap in de algemene ontwikkeling van onze consultants. Integrale benadering bij projecten Onze consultants zijn in toenemende mate betrokken bij projecten waarbij de integrale brandveiligheidsbenadering een rol speelt. Daarom is het belangrijk dat collega’s beschikken over een kennisniveau van meerdere aspecten. Zodoende kunnen de collega’s brandveiligheidsvraagstukken nog completer beantwoorden. In de voetsporen van onze collega’s treden? Wilt u zelf ook noodverlichtingsdeskundige worden? Volg dan driedaagse opleiding Noodverlichtingsdeskundige de bij zusterorganisatie Obex. Zoekt u kennis over noodverlichting en heeft u advies nodig? Neem dan contact met Brafon op. U kunt ook altijd de gratis noodverlichtingskaart aanvragen in onze webshop. U ontvangt dan per post een overzichtelijk document waar alle relevante wet- en regelgeving over noodverlichting en vluchtroute aanduiding in vermeld staat.
Kennispublicatie: Juiste zienswijze inzake rookwerendheid van deuren

De verbouwvoorschriften inzake rookwerendheid van deuren biedt ruimte voor verschillende interpretaties. Dat ondervonden wij de afgelopen maanden nadat wij, namens een van onze relaties, met de desbetreffende Veiligheidsregio niet tot overeenstemming konden komen. Nadat Brafon en de Veiligheidsregio beide een zienswijze hadden ingediend bij de Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften (ATGB), stelde de ATGB dat de zienswijze van Brafon een juiste is. Na overleg en verdere onderbouwing heeft de Veiligheidsregio de zienswijze van Brafon uiteindelijk ook geaccordeerd. Omdat blijkbaar veel onduidelijkheid heerst over dit onderwerp, lichten we de zienswijze, zoals deze door het ATGB is beoordeeld, graag toe. Uitvraag Moeten deuren in bestaande brandscheidingen, die opgewaardeerd moeten worden om te voldoen aan de geldende voorschriften op gebied van brandwerendheid, ook rookwerend worden uitgevoerd op basis van artikel 2.95 lid 2 Bouwbesluit 2012? Dat was de vraag waarover de discussie is gegaan. Brafon stelde dat dit niet vereist is, omdat deurbladen en kozijnen behouden/opgewaardeerd konden worden, de Veiligheidsregio was van mening dat het benoemde artikel ook voorschreef dat deze deuren bij een verbouwactiviteit niet enkel op gebied van brandwerendheid hersteld moesten worden, maar ook op gebied van rookwerendheid. Uitgangspunten Brafon Op basis van de artikelsgewijze Nota van toelichting, behorende bij artikel 2.95 lid 2 Bouwbesluit 2012, kan worden geconcludeerd, dat bij een verbouwactiviteit de eis inzake rookwerendheid bij deuren enkel geldt wanneer de deuren vervangen moeten worden. Deze benadering ligt in lijn met artikel 4 Woningwet. Deze demarcatie leidt ertoe dat constructieonderdelen gefaseerd aan de vigerende nieuwbouwvoorschriften (m.b.t. art. 2.94b lid 4) zullen voldoen. Belangrijk hierbij is dat het vaststellen van de hoeveelheid rook die door een deur wordt ‘gedrukt’ ten tijde van brand niet met een berekeningsmethodiek te bepalen is. Enkel met een test (het beproeven van een deur-/kozijnconstructie op basis van NEN-EN 1634-3) is dit vast te stellen. De ‘Richtlijn brandwerendheid puiconstructies 2021’ geeft aan dat er nog geen herstelmogelijkheden zijn om een bestaande deur-/kozijnconstructie aannemelijk te laten voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften op gebied van rookwerendheid, zoals de NEN 6075 dit voorschrijft. Bestaande bouw Deuren in bestaande bouwwerken hoeven niet rookwerend te zijn, een Ra of een R200 criterium wordt niet voorgeschreven vanuit de bestaande bouw regelgeving. Dit betekent dat binnen alle bestaande bouwwerken (vergund voor 1 juli 2021) in Nederland in beginsel deuren zijn toegepast die wel brandwerend, maar niet rookwerend zijn. Bij een verbouwactiviteit zou dit betekenen dat in deze situaties alle deuren te allen tijde vervangen moeten worden, gezien de benoemde richtlijn (nog) niet voorziet in een beoordeling op rookwerendheid (rookdoorlatendheid). Deze zienswijze zou leiden tot een enorme kostenpost voor gebouweigenaren (niet alleen met betrekking tot deze casus), die veelal noodzakelijkerwijs moeten verbouwen omdat in oudere gebouwen de benoemde deuren niet meer voldoen aan de gestelde eisen die vanuit het niveau bestaande bouw worden voorgeschreven (inzake brandwerendheid). Conclusie Indien een bestaande (brandwerende) deur met aanpassingen aan de vanuit de omgevingsvergunning activiteit bouwen voortvloeiende brandwerendheidseis en het Bouwbesluit (inzake brandwerendheid) kan voldoen, is de “nieuwe” eis inzake rookwerendheid alleen van toepassing op een deur, als die deur zelf onderwerp van verbouwing is. Een deur die hersteld moet worden, zonder dat deze vervangen hoeft te worden om te voldoen aan de vereisten op gebied van brandwerendheid, is conform artikel 4 Woningwet geen onderdeel van de verbouwing. Bij het geheel vervangen van de deur zal de deur na de vervanging inderdaad aan het rookwerendheidscriterium moeten voldoen. Als het kozijn geen onderwerp van vervanging is geldt dat niet voor het kozijn. Het gaat dus niet om de aansluiting tussen de deur en het kozijn. Kortom, het deurvlak zelf moet rookdicht zijn. De aansluiting moet hierbij alleen worden meegenomen als het kozijn onderwerp van verbouwen is, of als dan niet het geval is, voor zover het voldoen aan de eis niet dwingt tot verbouwing van het kozijn. Het volledige advies van de ATGB vindt u via deze link. Heeft u ook vragen? Brafon kan u middels een gedegen maatwerkadvies adviseren en ondersteunen. Wilt u meer informatie over bouwkundige ontwikkelingen? Volg dan ook de opleiding Specialist Bouwkundige Brandveiligheid bij zusterorganisatie Obex Opleidingen.