Kennispublicatie: gebruiksmeldingen & omgevingsvergunning

Vanuit het vigerende omgevingsrecht zijn specifieke gebruiksvormen van een gebouw omgevingsvergunningsplichtig (voor de activiteit brandveilig gebruik) of gebruiksmeldingsplichtig. In deze kennispublicatie geven wij inzicht in de huidige eisen omtrent de omgevingsvergunning brandveilig gebruik en de gebruiksmelding, zoals deze voortvloeien uit het huidige publiekrecht. Aanvullend hierop worden de wijzigingen inzake deze omgevingsvergunning en gebruiksmelding vanuit de komende Omgevingswet toegelicht. Omgevingsvergunning brandveilig gebruik Op basis van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (artikel 2.1 lid 1 sub d) is het in gebruik nemen of het gebruiken van een bouwwerk met het oog op brandveiligheid omgevingsvergunningsplichtig indien het gebruik valt onder een bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aangewezen categorieën. Deze AMvB betreft het Besluit Omgevingsrecht (Bor). Overeenkomstig artikel 2.2 van het Bor is een omgevingsvergunning brandveilig gebruik (voormalige gebruiksvergunning) vereist indien: Bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen; Dagverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar; of Dagverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 lichamelijk of verstandelijke gehandicapte personen. Vanuit de Wabo (artikel 3.10 lid 1 sub b) geldt voor de omgevingsvergunning activiteit brandveilig gebruik de uitgebreide voorbereidingsprocedure, waarbij een beslistermijn van zes maanden geldt. Hiermee moet bij indiening van de omgevingsvergunningsaanvraag rekening worden gehouden, gezien de vergunning voorafgaand aan de ingebruikname moet zijn verleend2. De indieningsvereisten van de omgevingsvergunning zijn opgenomen in de Ministeriële Regeling Omgevingsrecht (artikel 3.3). Benoemd moet worden dat aangaande de gebruiksmelding inhoudelijk dezelfde indieningsvereisten gelden. Gebruiksmelding – Bouwbesluit De eis tot het doen van een gebruiksmelding vloeit tot op heden voort uit het Bouwbesluit 2012. Vanuit artikel 1.18 is het doen van een gebruiksmelding in een drietal situaties vereist: Een bouwwerk dat is bestemd voor meer dan 50 personen (geldt niet voor één- of meergezinswoning); Indien een beroep op gelijkwaardigheid is gedaan voor een voorschrift uit hoofdstuk 6 (installaties) of hoofdstuk 7 (brandveilig gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen) van het Bouwbesluit 2012; of Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Deze gebruiksmelding dient ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik schriftelijk te worden ingediend bij het bevoegd gezag (desbetreffende gemeente). Hiervoor wordt normaliter gebruik gemaakt van het digitale Omgevingsloket Online (OLO). Hierbij moet worden vermeld dat indien voor het gebruik een omgevingsvergunning brandveilig gebruik vereist is, het niet noodzakelijk is om aanvullend nog een gebruiksmelding te doen. Artikel 1.19 Bouwbesluit 2012 geeft een overzicht van de wettelijke indieningsvereisten betreffende de gebruiksmelding (zoals aangegeven eenzelfde als voor een vergunningsaanvraag brandveilig gebruik). Deze resulteren in een plattegrondtekening per bouwlaag waarop de aanwezige (brandveiligheids-)voorzieningen zijn vermeld. Afbeelding: Voorbeeld plattegrondtekening gebruiksmelding (Bron: Brafon) Wijzigingen vanuit komende Omgevingswet Onlangs is het besluit van invoering van de nieuwe Omgevingswet per 1 januari 2024 in het Staatsblad gepubliceerd (Stb 2023-89). Deze wet bevat belangrijke wijzigingen omtrent de omgevingsvergunning brandveilig gebruik en de gebruiksmelding. Vanuit deze wet worden een viertal uitvoeringsbesluiten (Algemene Maatregelen van Bestuur) aangestuurd, waaronder het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Het BBL kan worden beschouwd als opvolger van het huidige Bouwbesluit. De huidige omgevingsvergunning activiteit bouwen komt met de invoering van de Omgevingswet te vervallen. Het gebruik zal vanuit het toekomstige omgevingsrecht enkel wel of niet gebruiksmeldingsplichtig zijn. De situaties waarin tot op heden een omgevingsvergunning activiteit brandveilig gebruik moet worden aangevraagd zijn met komst van het BBL gebruiksmeldingsplichtig. Op basis hiervan zal het aantal situaties waarin een gebruiksmelding zal moeten worden gedaan toenemen. De eis tot het doen van een gebruiksmelding is opgenomen in artikel 6.7 BBL. Voor een groot aantal gebruiksfuncties is de gebruiksmeldingsplicht gekoppeld aan het aantal aanwezige personen. Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 is het aantal personen waarbij een gebruiksmelding nodig is voor een industrie- en kantoorfunctie verhoogd. Op basis hiervan zullen zich een aantal situaties voordoen, waarbij het gebruik tot op heden meldingsplichtig zijn, echter met invoering van de Omgevingswet niet meer. Aanvullend hierop is elke woonfunctie voor zorg vanuit het BBL gebruiksmeldingsplichtig (ongeacht het aantal aanwezige personen). Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige Bouwbesluit. Vanuit de vigerende bouwregelgeving is enkel een groepszorgwoning (verbijzondering van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur) gebruiksmeldingsplichtig. Gezien de eisen aangaande het doen van een gebruiksmelding voor zowel nieuwbouw als ook bestaande bouw gelden, dienen formeel per 1 januari 2024 voor alle woonfuncties voor zorg een gebruiksmelding te zijn gedaan. Hierbij dient eveneens rekening te worden gehouden met het indienen van een gebruiksmelding 4 weken voorafgaand aan de ingebruikname van het gebouw. Dit impliceert dat gebruiksmeldingen gedaan moeten worden in het nieuwe jaar! Brafon verzorgt met haar specialisme voor diverse opdrachtgevers de gebruiksmeldingen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de op de gebruiksmelding vermelde informatie klopt en de melding voldoet aan de wettelijke indieningsvereisten. De diensten variëren van het opstellen van een werkinstructie t.b.v. de gebruiksmeldingen, het controleren en adviseren van de gebruiksmeldingstekeningen tot het indienen van de gebruiksmelding via het OLO. Mocht u na het lezen van deze kennispublicatie aanvullende vragen hebben omtrent de omgevingsvergunning en/of de gebruiksmelding of een beroep willen doen op onze dienstverlening, dan kunt u uiteraard contact met ons opnemen. Leer meer over de brandveiligheidsvoorschriften van een woongebouw Om een volledig inzicht te krijgen in de geldende brandveiligheidsvoorschriften vanuit het Bouwbesluit 2012 en/of het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving wordt vanuit onze zusterorganisatie Obex de opleidingen ‘Brandpreventiedeskundige 1’ en ‘Van Bouwbesluit naar BBL’ aangeboden. De opleiding ‘Brandpreventiedeskundige 1’ geeft een volledig en integraal beeld van brandveiligheid. Hiermee ligt de nadruk op het toetsen van brandveiligheid op juridisch, bouwkundig, installatietechnisch en organisatorisch gebied. Tijdens de opleiding ‘Van Bouwbesluit naar BBL’ worden de wijzigingen van de brandveiligheidsvoorschriften van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving tot in detail behandeld. Wilt u meer advies over deze casus? Heeft u vragen over deze kennispublicatie? Neem dan contact op met Brafon.
Kennispublicatie: brandveiligheid van grote brandcompartimenten

Aan de omvang van brandcompartimenten worden eisen gesteld in het Bouwbesluit 2012 om te voorkomen dat een brand onbeheersbaar wordt. Deze eisen staan beschreven in verschillende normen, zoals de NEN6060. Maar wat schrijft deze NEN hierover eigenlijk voor? En geldt dit voor nieuwbouw of bestaande bouw? We duiken deze maand met onze nieuwste kennispublicatie in de materie van brandveiligheid van grote brandcompartimenten. Conform het Bouwbesluit moeten nieuw te bouwen industriegebouwen worden ingedeeld in brandcompartimenten met een maximale omvang van 2.500 m². In bepaalde gevallen is het niet haalbaar of wenselijk om aan deze eisen te voldoen. Dit kan te maken hebben met de aard van de werkzaamheden die in een bouwwerk worden uitgevoerd of de wensen die de eigenaar of gebruiker heeft. Op basis van gelijkwaardigheid bestaat de mogelijkheid om van voorschriften zoals omschreven in het Bouwbesluit af te wijken. Een gelijkwaardigheidsvoorstel moet conform artikel 1.3 worden ingediend bij het bevoegd gezag ter accordering. Indien de gelijkwaardigheid wordt gehonoreerd door het bevoegd gezag, kan gebruik worden gemaakt van de aangevraagde gelijkwaardigheid. Omvang van brandcompartimenten conform het Bouwbesluit Brandcompartimenten dienen wat betreft omvang te voldoen aan de prestatie-eisen die gesteld worden in de artikelen 2.83 (nieuwbouw) of 2.89 (bestaande bouw). Indien het nieuwbouwniveau wordt aangehouden, mag de omvang van een brandcompartiment maximaal 500 m², 1.000 ² of 2.500 m² zijn. Welke omvang aangehouden dient te worden is afhankelijk van de gekozen en/of aanwezige gebruiksfunctie(s). Vanuit het niveau bestaande bouw betreffen deze grenswaarden 1.000 m², 2.000 m² of 3.000 m². Zoals benoemd mag een bouwwerk afwijken van de voorschriften, zoals deze zijn opgenomen in de hoofdstukken 2 t/m 7 van het Bouwbesluit 2012, indien op een andere wijze ten minste eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt geboden als is beoogd met deze voorschriften waarvan wordt afgeweken. De aanvrager is in beginsel niet geboden aan voorschriften om een gelijkwaardigheidsvoorstel op te stellen, echter zijn er gelijkwaardigheden (methoden) die regelmatig worden gebruikt om deze gelijkwaardigheid aan te tonen. NEN 6060 De NEN 6060 is zo’n methode. Deze norm wordt in veel gevallen gebruikt als bepalingsmethode om bij ‘grote brandcompartimenten’ (groter dan het Bouwbesluit voorschrijft) te onderbouwen dat er sprake is van een gelijkwaardige mate van brandveiligheid. Deze NEN (uitgegeven in 2015) is de “vervanger” van de ‘Methode Beheersbaarheid van Brand 2007’ en wordt in de markt veelal een ‘vuurlastberekening’ genoemd. De NEN 6060 biedt een viertal maatregelpakketten die te beschouwen zijn als gebaande wegen ter motivering van gelijkwaardigheid voor de omvang aangaande ‘te grote brandcompartimenten’. Deze maatregelpakketten voor beperking van uitbereiding van brand bestaan uit verschillende elementen: bouwkundige, installatietechnische en organisatorische, waaronder een gebruiksbeperking die gerelateerd is aan de totale vuurlast in het brandcompartiment. Op basis van de aanwezige permanente en variabele vuurlast kan worden bepaald welke omvang een brandcompartiment maximaal mag omvatten. Ook wordt de WBDBO (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) op basis van de vuurbelasting bepaald. Deze WBDBO kan oplopen tot 240 minuten, daar waar het Bouwbesluit 2012 een maximale WBDBO tussen brandcompartimenten van 60 minuten voorschrijft. Ook geeft de NEN 6060 een aantal maatregelpakketten (A t/m F) waarmee de maximaal toelaatbare loopafstand binnen een subbrandcompartiment kan worden verlengd. Dit is slechts mogelijk indien het subbrandcompartiment voldoet aan bepaalde voorwaarden, mogelijk in combinatie met compenserende maatregelen die getroffen moeten worden om de aanwezigen voldoende tijd geven om veilig een uitgang van het subbrandcompartiment te bereiken. Nieuwbouw en bestaande bouw De norm kan toegepast worden voor nieuwbouwsituaties en bestaande bouwsituaties. De norm is niet geschikt voor brandcompartimenten waarin wordt overnacht (zoals woon-, zorg-, en logiesfuncties), en evenmin voor brandcompartimenten die uitsluitend zijn bestemd voor verblijf van niet-zelfredzame personen. Hiermee is de norm beperkt toepasbaar. Voorafgaand aan het toepassen dient dit te worden gecontroleerd. Blijvende gebruiksbeperking Door het toepassen van de NEN 6060 koppelt de aanvrager een gebruiksbeperking aan het NEN 6060-compartiment. De uitgangspunten zoals in de berekening zijn opgenomen mogen niet overschreden worden. Deze blijvende gebruiksbeperking kan hiermee andere toepassingen in de weg staan. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een hogere vuurbelasting dan waarop het gebouw is ontworpen, zullen aangebrachte voorzieningen bij een brand mogelijk te kortschieten, waardoor een onbeheersbare brand kan ontstaan. Het bevoegd gezag kan hierop handhaven en dwangmiddelen aanwenden om de overtreding weg te (laten) nemen. De eigenaar dient, mogelijk tezamen met de gebruiker, ervoor te zorgen dat de uitgangspunten vanuit de berekening in stand worden gehouden. Hiervoor draagt de eigenaar de primaire verantwoordelijkheid. Toezichtarrangement De gebruiker/eigenaar van het bouwwerk is ook verplicht om toezicht te laten houden op de beperkingen zoals beschreven in de NEN 6060-rapportage. De frequentie van het toezicht moet worden afgestemd met het bevoegd gezag. Dit toezicht moet worden uitgevoerd door een onafhankelijke en deskundige instelling en komt niet in plaats van het overheidstoezicht. Leer meer over het toepassen NEN 6060 Wellicht biedt de NEN 6060 voor u de uitkomst, indien uit te maken heeft met (te) grote brandcompartimenten en/of lange loopafstanden in subbrandcompartimenten. Om de NEN 6060 te begrijpen en te kunnen toepassen, biedt onze zusterorganisatie Obex Opleidingen de opleiding NEN 6060 Toepassen (grote brandcompartimenten) aan. De opleiding geeft een volledig en integraal beeld van de NEN 6060 en leert u te werken met de norm, zodat u zelfstandig een NEN 6060 berekening kunt uitvoeren en een hierbij horende rapportage kunt opstellen.
Kennispublicatie: Dakbranden bij woongebouwen

De dakbranden in Amsterdam, Apeldoorn en Arnhem (juni 2023) hebben geleid tot vragen en discussie op gebied van brandveiligheid van daken van met name woongebouwen. Waar moet een dak aan voldoen? Op welke wijze is dit wettelijk vastgelegd? Wie is verantwoordelijk de brandveiligheid van het dak? Wat is de relatie tussen dakbranden en zonnepanelen? In deze kennispublicatie geven wij u inzicht in de bovenstaande vragen. Bij de branden in Amsterdam, Apeldoorn en Arnhem heeft de brandweer het vermoeden dat deze zijn ontstaan in een van de woningen en de branden zicht hebben kunnen uitbreiden naar de daken (onderzoeken naar deze branden zijn nog niet afgerond, bovenstaande is gebaseerd op uitspraken van woordvoerders van de brandweer in de media). Wet- en regelgeving De brandveiligheid binnen bouwwerken waaronder woongebouwen is grotendeels verankerd in de Woningwet en het, vanuit deze wet aangestuurde uitvoeringsbesluit: het Bouwbesluit 2012. In dit Bouwbesluit is beschreven op welke wijze de brandveiligheid bouwkundig, installatietechnisch en (deels) organisatorisch moet zijn ingericht. De Woningwet stelt hierbij dat de eigenaar primair verantwoordelijk is, echter heeft de gebruiker ook verantwoordelijkheden. Tezamen moet de benodigde brandveiligheid zijn gerealiseerd en worden geborgd. Dakoppervlak De bovenzijde van een dak van een bouwwerk mag niet brandgevaarlijk zijn, bepaald volgens NEN 6063. Dit geldt niet voor een bouwwerk waarin geen voor personen bestemde vloer ligt hoger dan 5 meter boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 meter vanaf de perceelsgrens liggen (BB 2012 nieuwbouw artikel 2.71). Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat een dak van een bouwwerk door vliegvuur uit de omgeving in brand vliegt (vliegvuur of vonkenregen). Verder worden er geen eisen gesteld aan de brandklasse van het dakoppervlak, zoals deze wel gesteld worden aan bijvoorbeeld (verticale) geveldelen. Wet- en regelgeving aangaande de brandveiligheid van dakoppervlakken is nauwelijks opgenomen in de huidige wetten en uitvoeringsbesluiten vanuit de regering. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) is vanuit het bouwbesluit altijd gericht op branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet besloten veiligheidsvluchtroute (niveau nieuwbouw) en naar een liftschacht van een brandweerlift (niveau nieuwbouw). Over het algemeen kan gesteld worden dat het dakoppervlak een niet besloten ruimte is en geen onderdeel is van een veiligheidsvluchtroute, en er derhalve geen eisen worden gesteld aan de WBDBO van een brandcompartiment naar het dakoppervlak. Het dakoppervlak mag dus uitgevoerd zijn met brandbare materialen mits deze niet brandgevaarlijk zijn bepaald volgens NEN 6063. Wel moet voorkomen worden dat bij een brand in een brandcompartiment sprake is van branddoorslag of brandoverslag naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet besloten veiligheidsvluchtroute (niveau nieuwbouw) en naar een liftschacht van een brandweerlift (niveau nieuwbouw). Hierbij vormt de aanwezigheid van een brandbaar dakoppervlak een groot risico. Een brand in een brandcompartiment kan door dak openingen (dakramen en dakdoorvoeren) overslaan naar het dakoppervlak en van het dakoppervlak overslaan of doorslaan naar een ander brandcompartiment. Om deze reden is het belangrijk te weten of het dakoppervlak en eventueel onderliggende isolatie wel of niet brandbaar is en of er eventueel sprake is van brandoverslag en/of branddoorslag trajecten van het dakoppervlak naar een aangrenzend brandcompartiment. Voorkomen van branddoorslag en brandoverslag De makkelijkste oplossing om branddoorslag en brandoverslag via het dakoppervlak te voorkomen is door dit oppervlak en onderliggende isolatie brandwerend uit te voeren. Echter is dit vaak niet haalbaar of financieel niet interessant. Ook is het volledig brandwerend uitvoeren vaak niet noodzakelijk zolang branddoorslag of brandoverslag voorkomen wordt. Dit kan bijvoorbeeld door het onderbreken van de dakisolatie ter plaatse van de aansluiting van de brandwerende scheiding met de dakconstructie en het aanbrengen van zogeheten vlamschermen. Zonnepanelen en dakbranden Bij dakbranden waar zonnepanelen op het dak aanwezig zijn, wordt de oorzaak van de brand vaak ten onrechte toegekend aan de zonnepanelen. Echter blijkt de brand vaak een andere oorzaak te hebben dan de zonnepanelen. Wat er wel eens gesuggereerd wordt, is dat de warmteontwikkeling onder de panelen brand kan veroorzaken. Zonnepanelen kunnen ontzettend warm worden, tot wel 70 graden Celsius. Dit is warm, maar is nog lang niet warm genoeg om een brand te kunnen veroorzaken of de dakbedekking te doen ontbranden. Temperaturen van 70 graden Celsius zijn bij lange na niet voldoende om brand te kunnen veroorzaken. In een groot aantal gevallen wordt de brand veroorzaakt door slechte verbindingen van de stekkers waarmee de zonnepanelen met elkaar zijn verbonden. Veel zonnestroominstallaties voldoen niet aan de basisvoorwaarden. Vaak worden de elektrotechnische normen en regelgeving niet nageleefd door installateurs wanneer ze de panelen aan het plaatsen zijn. Wanneer een zonnepaneelinstallatie niet goed wordt geïnstalleerd, wordt het risico op brand een stuk groter. Andere belangrijke oorzaken van brand door zonnepanelen zijn: Defecte cellen in de panelen raken oververhit; Vlamboog als gevolg van slecht op elkaar aansluitende kabels en stekkers; Oververhitte omvormers; Ontbreken van ventilatie achter de panelen, waardoor de dakisolatie kan ontbranden (vooral bij indaksystemen een groot gevaar). Twijfelt u aan de brandveiligheid van uw zonnepanelen? Neem dan contact op met een onafhankelijke en deskundige partij om uw zonnepanelen of zonnestroominstallatie te laten keuren conform de SCIOS Scope 12. Wanneer zonnepanelen op een dak aangebracht zijn of worden is het belangrijk om zorg te dragen dat de panelen niet over brandcompartimentsscheidingen doorlopen. Een eventuele brand onder het deze zonnepanelen kan ervoor zorgen dat brandoverslag plaatsvindt naar naastgelegen brandcompartiment. Ook kunnen deze zonnepanelen ervoor zorgen dat bluswater de brand niet kan bereiken. In een groot aantal gevallen wordt de brand veroorzaakt door slechte verbindingen van de stekkers waarmee de zonnepanelen met elkaar zijn verbonden. Veel zonnestroominstallaties voldoen niet aan de basisvoorwaarden. Vaak worden de elektrotechnische normen en regelgeving niet nageleefd door installateurs wanneer ze de panelen aan het plaatsen zijn. Wanneer een zonnepaneelinstallatie niet goed wordt geïnstalleerd, wordt het risico op brand een stuk groter. Andere belangrijke oorzaken van brand door zonnepanelen zijn: Defecte cellen in de panelen raken oververhit; Vlamboog als gevolg van slecht op elkaar aansluitende kabels en stekkers; Oververhitte omvormers;
Kennispublicatie: Goederen in vluchtwegen

De manier waarop een gebouw wordt ingericht en aangekleed is de afgelopen jaren sterk veranderd. Dit komt onder andere door steeds meer gebruik te maken van synthetische en/of brandbare materialen. Uit diverse onderzoeken is geconcludeerd dat dit bij brandsituaties kan resulteren tot een snellere brand- en rookontwikkeling en een significante toename van bij verbranding vrijkomende toxische stoffen. In deze nieuwe kennispublicatie duiken we in de regelgeving omtrent het brandveilig gebruik van een gebouw. De inrichting van vluchtroutes, en de goederen die hierin staan, fungeren bij een noodsituatie als obstakels. Met name voor de gemeenschappelijke vluchtroutes van wooncomplexen heeft dit een negatieve invloed op de vluchtveiligheid van bewoners. Als recent voorbeeld kan de fatale brand in de gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw in Arnhem worden benoemd, waarbij in de nieuwjaarsnacht van 2020 twee personen als gevolg van een in brand geraakt bankstel in de centrale hal om het leven zijn gekomen. Het houden van toezicht op de inrichting en aankleding van de vluchtroutes is in de praktijk lastig, controles betreffen immers momentopnames. Als gevolg van een dynamisch gebruik kan de situatie dagelijks variëren. Wet- en regelgeving De brandveiligheid binnen bouwwerken waaronder woongebouwen is grotendeels verankerd in de Woningwet en het, vanuit deze wet aangestuurde uitvoeringsbesluit: het Bouwbesluit 2012. In dit Bouwbesluit is beschreven op welke wijze de brandveiligheid bouwkundig, installatietechnisch en organisatorisch moet zijn ingericht. Vanuit de in de Woningwet opgenomen zorgplicht wordt de eigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de (brand-)veiligheid binnen het gebouw, echter heeft de gebruiker ook verantwoordelijkheden. Hieromtrent dienen afspraken in de huurovereenkomst te worden vastgelegd (‘goed huurderschap’). Overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek is de huurder immers verplicht ‘zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen’ (artikel 7.213 BW). Hierbij dient te worden vermeld dat de verantwoordelijkheid door de eigenaar in de huurovereenkomst niet kan worden ‘weg-gecontracteerd’. Uit jurisprudentie is gebleken dat de eigenaar van het gebouw tevens verantwoordelijk is om toezicht te houden op de naleving van de in de huurovereenkomst opgenomen afspraken tussen huurder en verhuurder. Naar verwachting wordt in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL), dat van kracht wordt op 1 januari 2024, een artikel opgenomen betreffende brandbare opslag in vluchtroutes. Brandveilig gebruik Voorschriften op gebied van brandveilig gebruik zijn beschreven in hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit. In dit hoofdstuk van het Bouwbesluit zijn een tweetal zogenaamde ‘kapstokartikelen’ opgenomen (artikel 7.10: Restrisico brandgevaar en ontwikkeling van brand & artikel 7.16 Restrisico Veilig vluchten bij brand). Middels deze artikelen heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het brandveilig gebruik onvoldoende gewaarborgd is (ook indien het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften vanuit het Bouwbesluit 2012). Zo wordt in artikel 7.10 gesteld dat het verboden is een bouwwerk zo te gebruiken dat brandgevaar wordt veroorzaakt of dat bij brand een gevaarlijk situatie wordt veroorzaakt. Aanvullend hierop wordt in artikel 7.16 gesteld dat het gebruik van een bouwwerk niet mag leiden tot een situatie waarbij een melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd; het gebruik van vluchtmogelijkheden wordt belemmerd, of het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd. Indien het gebruik van een gebouw resulteert in een onveilige situatie heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om op basis van de bovenstaande kapstokartikelen de vergunninghouder hierop aan te schrijven en repressief te handhaven met als doel de onveilige situatie te beëindigen. Aanvullend op de voorschriften vanuit het vigerende bouwregelgeving, dient er (indien er arbeid op locatie wordt verricht) tevens rekening te worden gehouden met de voorschriften vanuit de Arbowet. Het gaat vanuit deze wet met name om een veilige en gezonde werkomgeving. Op de vanuit de Arbowet voorvloeiende voorschriften wordt in deze kennispublicatie niet verder op ingegaan. Gebouweigenaren, verenigingen van eigenaren, (buurt-)beheerders, opzichters en bewoners willen wij middels deze kennispublicatie attenderen op onveilige situaties in gemeenschappelijke vluchtroutes met als doel het veiligheidsbewustzijn van deze doelgroep te vergroten. Onderstaand zijn een aantal aandachtspunten met betrekking tot de vluchtveiligheid in gemeenschappelijke verkeersruimten opgenomen. Inventaris, opslag en aankleding in vluchtroutes Inventaris en opslag in vluchtroutes mag een veilige ontvluchting niet belemmeren. Dit impliceert dat de hoeveelheid inventaris in gemeenschappelijke verkeersruimten beperkt moet zijn. Aanvullend hierop wordt regelmatig geconstateerd dat de gemeenschappelijke verkeersruimten (gangen, hallen en trappenhuizen) voor diverse opslagdoeleinden worden gebruikt. Er dient toezicht te worden gehouden op het vrijhouden van vluchtroutes. Wordt de doorgangsbreedte van de vluchtroute door inventaris beperkt? Zo ja dienen de goederen te worden verwijderd/verplaatst. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een minimale doorgangsbreedte van 85 cm. Tevens dient voorkomen te worden dat bij onvoldoende zicht (dit komt veel voor bij een brand door uitval verlichting en/of rookontwikkeling) men kan struikelen over de aanwezige goederen. Zijn vluchtdeuren als gevolg van inventaris en/of andere goederen niet over de volledige breedte te openen? Alle deuren in gemeenschappelijke vluchtroutes moeten zonder gebruik te maken van een sleutel of ander los voorwerp over de volledige breedte kunnen worden geopend. Inventaris of andere goederen welke belemmerend werken moeten worden verwijderd. Wordt de zelfsluitendheid van brandwerende deuren door inventaris of goederen belemmerd? Deuren gelegen in brand- en/of rookwerende scheidingen moeten zelfsluitend zijn uitgevoerd. Door het openhouden van deze deuren kan brand- en rookverspreiding tussen de verkeersruimten ongehinderd plaatsvinden. Is brandgevaarlijke inventaris in gemeenschappelijke vluchtroutes aanwezig? De materialisatie van toegepaste inventaris is van invloed op de vluchtveiligheid van bewoners. Producten welke licht ontvlambaar zijn en/of resulteren in een omvangrijke rookproductie zijn niet toegestaan in gemeenschappelijke vluchtroutes. Hierbij kan gedacht worden aan synthetische meubels (schuimen) en kunststof. Uitsluitend niet of moeilijk brandbare inventaris is toegestaan (steen, metaal, zwaardere houtsoorten). Wordt de ruimte onder de trap voor opslagdoeleinden gebruikt? De lege ruimte onder een gemeenschappelijke trap nodigt uit om deze voor de opslag van (brandbare) goederen te gebruiken. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de opslag van de gemeenschappelijke kerstversiering. Brandbare opslag dient direct te worden verwijderd. Wordt de ruimte voor de appartementen vrijgehouden? Veel bewoners maken gebruik van de lege ruimte op de gemeenschappelijke gang voor de appartementen. Deze ruimte mag niet voor opslagdoeleinden worden gebruikt en er dient rekening te worden