Kennispublicatie: ontruiming bij bedrijfsverzamelgebouwen

In de praktijk komt het regelmatig voor dat de BHV’ers van verschillende werkgevers binnen een bedrijfsverzamelgebouwen niet of nauwelijks samenwerken. Dit heeft een negatieve invloed op de slagvaardigheid van de aanwezige BHV-organisatie, aangezien de aanwezige BHV-bezetting en middelen niet optimaal worden benut. In deze kennispublicatie geven we inzicht in het belang van een gedegen samenwerking binnen een bedrijfsverzamelgebouw en de belangrijkste aandachtspunten bij de inrichting hiervan. Wet- en regelgeving In het artikel 19 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) is vastgelegd dat verschillende werkgevers binnen één bedrijf of inrichting op een doelmatige wijze moeten samenwerken om aan de wettelijke eisen van de Arbowet te kunnen voldoen. Wat de ‘doelmatige wijze’ concreet inhoudt, is niet omschreven. De invulling van deze eis is overgelaten aan de werkgevers binnen het gebouw. In het tweede lid van artikel 19 van de Arbowet is aangegeven dat het schriftelijk vastgelegd moet zijn op welke wijze er zal worden samengewerkt en welke voorzieningen daarbij getroffen zullen worden. Een aangewezen plek om de dergelijke afspraken ten aanzien van ontruiming bij brand vast te leggen is een overkoepelend ontruimingsplan. De aanwezigheid van het ontruimingsplan is bovendien vereist in bouwwerken met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie op basis van art. 6.20 lid 3 van het Bbl. Daarnaast is in het artikel 6.20 lid 1 van het Bbl (artikel 7.11a van het voormalige Bouwbesluit) vastgelegd dat binnen een gebruiksfunctie met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding verplicht is, voldoende personen zijn aangewezen om de ontruiming voldoende snel te laten verlopen. Dit betreft een eis vanuit de bouwregelgeving ten aanzien van ontruiming bij brand, in aanvulling op de hulpverlening bij brand die voor werknemers is geregeld op grond van de Arbowet. Op welke manier aan artikel 6.20 lid 1 Bbl moet worden voldaan, is niet vastgelegd in het Bbl. De invulling van deze eis is, overeenkomstig artikel 19 lid Arbowet, neergelegd bij de eigenaar/gebruikers van het gebouw. Belangrijk uitgangspunt dat aangehouden dient te worden is dat de beschikbare ontruimingstijd (ASET) groter moet zijn dan de benodigde ontruimingstijd (RSET) voor alle personen aanwezig in het bedrijfsverzamelgebouw. Kortom, er zijn meerdere wettelijke kaders (doelstellingen zonder gedetailleerde voorschriften) aanwezig welke leidend zijn voor de werkgevers bij de inrichting van de BHV-organisatie en ontruimingsorganisatie binnen een bedrijfsverzamelgebouw. Samenwerking BHV- organisatie bij brand Indien alle werkgevers binnen het gebouw op één brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie aangewezen zijn, is het sterk aan te raden om één centrale BHV-organisatie op te zetten waarin elke afzonderlijke gebruiker is vertegenwoordigd. Dit komt ten goede van de onderlinge communicatie en coördinatie van de afzonderlijke werkgevers. Op welke wijze deze samenwerking ingericht wordt is afhankelijk van diverse bouw- en installatietechnische voorzieningen binnen het gebouw. De reeds aanwezige compartimentering van het gebouw en de indeling in de alarmeringszones zijn in de basis bepalend voor de handelwijze van de ontruimingsorganisatie. Indien op basis van een ontruiming (of ontruimingsoefening) blijkt dat er geen sprake is van vlotte ontruiming, kunnen deze voorzieningen worden aangepast. Binnen een gebouw waarin op basis van de voornoemde factoren sprake is van totale ontruiming, dienen alle aanwezige werkgevers bij een brandmelding als vanzelfsprekend direct samen te werken om de brandmelding af te handelen. Geadviseerd wordt om deze samenwerking door één werkgever te laten coördineren. Ook binnen bedrijfsverzamelgebouwen waarin sprake is van gedeeltelijke/gefaseerde ontruiming, dienen de BHV’ers van de verschillende werkgevers samen te werken. Een veel voorkomende situatie is dat er een brandmeldcentrale en een nevenpaneel aanwezig zijn bij een tweetal werkgevers, bijvoorbeeld bij de receptie op de begane grond en op één willekeurige verdieping. Een correcte en eenduidige afstemming van taken komt de ontruiming van het bedrijfsverzamelgebouw ten goede. De directe samenwerking tijdens ontruiming is minder van belang binnen grootschalige multifunctionele complexen met een groot aantal brandcompartimenten, waarbij de werkgevers aangewezen zijn op verschillende brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties en binnen verschillende brandcompartimenten aanwezig zijn. Het is echter wel aan te raden om ook in deze situaties de BHV-organisaties van de gebruikers onderling te laten communiceren over de voortgang van de ontruiming binnen eigen gebouwdeel. Het overkoepelend ontruimingsplan Om de samenwerking tussen de BHV’ers te bevorderen en de ontruiming vlot te laten verlopen is het te adviseren dat er een overkoepelend ontruimingsplan aanwezig is in plaats van afzonderlijke plannen, die veelal (gesteld op basis van ervaringen) niet op elkaar afgestemd zijn. Het cruciale onderdeel van dit plan is de omschrijving van de communicatielijnen (intern en extern) en de coördinatie tijdens de ontruiming. Het is aan te raden om in het ontruimingsplan het maatgevende scenario vast te leggen. Dit betreft het slechts denkbare doch realistische scenario waarbij een ontruiming noodzakelijk is. Voor meer informatie over het maatgevend scenario en het belang hiervan, zie onze afzonderlijke kennispublicatie hierover. Naast de ontruimingsprocedures bij daadwerkelijke brand kan het ook behulpzaam zijn om vast te leggen welke stappen er genomen moeten worden indien geconstateerd wordt dat er sprake is van een ongewenste of onechte brandmelding. Het is noodzakelijk dat de aanwezige werkgevers zich allen conformeren aan de gemaakte afspraken. Dit kan middels een samenwerkingsovereenkomst met een tekenlijst (als bijlage van het ontruimingsplan) worden vastgelegd. Gezamenlijke ontruimingsoefeningen Na het opstellen van een overkoepelend ontruimingsplan is het aan te bevelen om de vastgelegde procedures te toetsen middels een gezamenlijke ontruimingsoefening. Tijdens de eerste ontruimingsoefening kan aan de hand van het maatgevend scenario worden geoefend. Indien het gebouw of een gebouwdeel binnen de gestelde tijd ontruimd is aan de hand van het maatgevende scenario, is het aannemelijk dat de ontruiming in andere (minder uitdagende) scenario’s tevens vlot zal verlopen. Hierna is het goed om de ontruimingsoefeningen met enige regelmaat te blijven houden. Hoe vaak er een ontruimingsoefening gehouden moet worden, dient bepaald te worden aan de hand van de binnen het gebouw aanwezige risico’s (op basis van de Risico-Inventarisatie & -Evaluatie). Een vaak gehanteerde frequentie, voor gebouwen/instellingen zonder bijzondere risico’s, is één keer per jaar. Door het regelmatig uitvoeren en evalueren van ontruimingsoefeningen kunnen de mogelijke knelpunten tijdens ontruiming inzichtelijk worden gemaakt. Op
Kennispublicatie: Verduurzaming en Brandveiligheid

Woningbouwcorporaties zijn momenteel volop bezig met het verbeteren van de energieprestaties van hun woningen. Vooral woningen met een relatief slecht energielabel (E, F en G-label) krijgen de nodige aandacht om te voldoen aan gemaakte afspraken tussen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en Aedes (Vereniging van woningcorporaties) over de verlaging van de verhuurderheffing, is afgesproken dat de corporatiessector uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector heeft laten verdwijnen. Terwijl deze verbeteringen noodzakelijk zijn om te voldoen aan bovenstaande afspraken, biedt dit ook een unieke kans om de brandveiligheidsvoorzieningen in deze woningen te optimaliseren. In deze kennispublicatie worden de kansen voor de brandveiligheid welke zich met deze verduurzamingsprojecten voordoen belicht. Waarom brandveiligheid niet vergeten mag worden Het opwaarderen van woningen met slechte energie labels vereist ingrijpende aanpassingen, zoals het verbeteren van de isolatie, het plaatsen van zonnepanelen of het vervangen van verouderde verwarmingssystemen. Deze aanpassingen zorgen voor een aanzienlijke verbetering van de woonomstandigheden, maar kunnen ook een impact hebben op de brandveiligheid van een gebouw. Bijvoorbeeld, het aanbrengen van extra isolatie kan gevolgen hebben voor de risico’s op branduitbreiding als er geen rekening wordt gehouden met aanvullende brandwerende maatregelen. De integratie van brandveiligheidsvoorzieningen Gezien de aard van de werkzaamheden bij het verduurzamen van woningen, is dit het ideale moment om brandveiligheid meteen mee te nemen in het proces. Vanwege de verduurzamingswerkzaamheden ervaren de bewoners overlast. Door deze werkzaamheden te combineren met het realiseren en/of opwaarderen van de brandveiligheidsvoorzieningen blijft de overlast voor bewoners beperkt tot 1 keer. Enkele belangrijke aspecten die woningbouwcorporaties in overweging zouden kunnen nemen tijdens de verduurzaming zijn: Brandwerende doorvoeringen en afdichtingenGezien elke woonfunctie (appartement) vanuit de vigerende bouwregelgeving moet zijn uitgevoerd als afzonderlijk brandcompartiment, worden er eisen gesteld aangaande de brandwerendheid van de omhulling van die woonfunctie. Bij woongebouwen wordt vaak geconstateerd dat doorvoeringen in de meterkasten en naar schachten vaak niet (voldoende) brandwerend zijn afgewerkt. Ook worden tijdens verduurzamingswerkzaamheden veelal zonnepanelen op het dak aangebracht. De bekabeling die hierbij aangelegd wordt zal bij het doorkruizen van eventuele brandwerende scheidingen brandwerende afgewerkt moeten worden. Ook de (mechanische) ventilatie is ter plaatse van de brandwerende scheiding in de praktijk vaak niet voorzien van een brandwerende klep. ZonnepanelenBij het plaatsen van zonnepanelen op het dak wordt door de brandweer geadviseerd om ter plaatse de woning scheidende wand ruimte vrij te houden van ten minste 1 meter over de brandscheiding heen, 0,5 meter aan iedere kant. Vrije ruimte tussen zonnepanelen Aanbrengen dakisolatieDakisolatie wordt tijdens het verduurzamen van de woningen vaak op twee manieren uitgevoerd, te weten: 1. Tegen de binnenzijde van de dakconstructie, en 2. Aan de buitenzijde van de dakconstructie. Beide werkwijzen hebben belangrijke aandachtspunten om branddoorslag te voorkomen. Wanneer een dakconstructie vanuit de binnenzijde wordt geïsoleerd is het belangrijk dat branddoorslag voorkomen wordt door bijvoorbeeld het aanbrengen van vlamschermen tegen het dakbeschot en om de balken. Voorbeelden van vlamschermen aan de binnenzijde van het dak (Bron: Promat) Wanneer een dakconstructie van buitenaf wordt geïsoleerd dient er voldoende aandacht te zijn dat de dakconstructie ter plaatse van de brandwerende scheiding is onderbroken en ook dat de aan te brengen isolatie op deze plek voldoende (volgens testrapport) onderbroken wordt en opgevuld wordt met een onbrandbaar materiaal om zo te voldoen aan de weerstand tegen branddoorslag. Voorbeelden van vlamschermen aan de binnenzijde van het dak (Bron: Alert isolatie) Bij platte daken blijkt dat er regelmatig sprake is van een plenum tussen het plafond van de woning en de bouwkundige dakconstructie. Ter plaatse van de woning scheidende wand is dit plenum regelmatig niet brandwerend dichtgezet. Ongewenste situatie: open ruimte tussen scheidingsmuur en het dakbeschot en een schematische weergave ongewenste situatie (Bron: Handreiking Brandveiligheid van woningscheidende constructies) Conclusie Verduurzaming en brandveiligheid kunnen dus heel goed hand in hand gaan. Terwijl woningbouwcorporaties zich richten op het verbeteren van energieprestaties van hun woningen, biedt dit een uitgelezen kans om tegelijkertijd de brandveiligheid te verbeteren. Door brandveiligheidsvoorzieningen direct mee te nemen in het verduurzamingsproces, kunnen risico’s verminderd worden, de veiligheid van bewoners gegarandeerd worden en kunnen corporaties voldoen aan de vigerende eisen vanuit de bouwregelgeving. Het is cruciaal om bewustwording te creëren bij alle betrokkenen, van de uitvoerende partijen tot de bewoners zelf. Een goed geïntegreerde aanpak zorgt ervoor dat de woningen niet alleen energiezuiniger worden, maar ook veiliger, wat leidt tot een betere en gezondere leefomgeving voor iedereen. Door deze werkzaamheden integraal uit te voeren, wordt de efficiëntie immers geoptimaliseerd en overlast voor de bewoners tot een minimum beperkt. Woningbouwcorporaties hebben hier een sleutelrol in en kunnen door deze integrale aanpak een belangrijke bijdrage leveren aan zowel duurzaamheid als brandveiligheid. De uitdaging ligt nu in het bewust maken van deze kansen en het aanmoedigen van woningbouwcorporaties om brandveiligheid als een onlosmakelijk onderdeel van verduurzaming te zien. Laten we deze kans grijpen om een veiligere, duurzamere toekomst te realiseren. Leer meer over bouwkundige brandveiligheid Mocht u meer inzicht willen krijgen in bouwkundige brandveiligheid verwijzen wij u graag naar de opleiding ‘Specialist bouwkundige brandveiligheid’. Deze 3-daagse opleiding aangeboden door Obex Opleidingen en Trainingen geeft een volledig en integraal beeld van de bouwkundige brandveiligheidsvoorschriften en praktijktoepassingen. Brafon Advies & Implementatie kan u ook helpen met een advies over bouwkundige, installatietechnische en organisatorische brandveiligheid. Onze consultants zijn gespecialiseerd en kunnen u middels een brandveiligheidsonderzoek een gericht advies geven. Geschreven door Richard BakkerConsultant Brandveiligheid
Kennispublicatie: Beoordeling brandwerendheid deuren

Vanuit de bouwregelgeving worden er eisen gesteld aan de brandcompartimentering van een gebouw. Brandcompartimentering is noodzakelijk om een brand beheersbaar te houden. Door gebruik te maken van brandcompartimentering wordt voorkomen dat brand zich uitbreidt over een te groot oppervlak. Afbeelding 1: Brandcompartiment Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (WBDBO) is voldaan. Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met branddoorslag wordt bedoeld de branduitbreiding via de binnenlucht door een constructieonderdeel heen. De WBDBO geeft hierbij de kortste tijd aan, die een brand nodig heeft om zich van een brandcompartiment naar een ruimte gelegen buiten het brandcompartiment uit te kunnen breiden. Deze eis wordt uitgedrukt in minuten en kan variëren tussen 20, 30 en 60 minuten. Als gevolg van deze WBDBO-eis dienen scheidingsconstructies veelal brandwerend te worden uitgevoerd, waarbij deuren gelegen in deze scheidingen tevens aan de gestelde brandwerendheidseis moeten voldoen. De beoordeling van de brandwerendheid van bestaande deuren kan lastig zijn. Een goedkeuring is alleen te geven op deuren die voorzien zijn van een certificaat/testrapport en overeenkomstig de testopstelling zijn gemonteerd. De ervaring is echter dat deze certificaten en testrapporten voor deuren in bestaand vastgoed nagenoeg altijd ontbreken. Moeten bestaande deuren zonder aanwezigheid van een certificaat worden vervangen of kan de brandwerendheid van deze deuren op een alternatieve wijze worden onderbouwd? In deze kennispublicatie gaan wij hier nader op in. Afbeelding 2: Brandwerende deur (image.webp (1024×768) (asphalia.nl) Richtlijn voor beoordeling mate van brandwerendheid bestaande puiconstructies (RvB-methodiek) Om de brandwerendheid van bestaande deuren te kunnen beoordelen is door het Rijksvastgoedbedrijf de ‘Richtlijn voor beoordeling mate van brandwerendheid bestaande puiconstructies’ gepubliceerd (vervanger van de voormalige POV). De benoemde richtlijn betreft een instrument om de brandwerendheid van bestaande puiconstructies vast te stellen. De richtlijn is te gebruiken, daar waar een beoordeling op basis wettelijk erkende kwaliteitsverklaringen (testrapporten) niet mogelijk is. Doel van deze richtlijn is om een uniform hanteerbare beoordelingsmethodiek met een aanzienlijke mate van betrouwbaarheid te beschrijven. De brandwerendheid van bestaande deuren kan met behulp van de in deze richtlijn opgenomen handvaten visueel in combinatie met licht destructief onderzoek (bijvoorbeeld demontage slotkast) worden beoordeeld. Aanvullend hierop geeft de richtlijn (afhankelijk van de geconstateerde afwijkingen/tekortkomingen) tevens potentiële herstelwerkzaamheden aan om de brandwerendheid van de deuren op te waarderen. De RvB-richtlijn beperkt zich tot de beoordeling tot en met 30 minuten brandwerendheid. Brandwerende puiconstructies van 60 minuten vallen op basis van de complexiteit van de materie buiten het toepassingsgebied. Voor de beoordeling van 60 minuten (of hogere) brandwerendheden kan een Expert Judgement (deskundigenbeoordeling) worden uitgevoerd. Een beoordeling op basis van de RvB-methodiek zal nooit gelijkwaardig zijn aan een puiconstructie conform een testrapport, omdat die deuren en kozijnen in een testomgeving zijn beproefd (en op basis van de proef zijn geclassificeerd). Echter, met behulp van deze richtlijn is het mogelijk om het benodigde inzicht te verkrijgen. Een belangrijke nuance is dat de richtlijn geen alternatief voor wet- en regelgeving is. Aan beoordelingen op basis van deze richtlijn kunnen geen rechten worden ontleend over het voldoen aan het wettelijk kader. Het eventueel gebruiken van deze richtlijn bij herstelwerkzaamheden moet op voorhand worden geaccordeerd door het bevoegd gezag. Beoordeling brandwerendheid deuren in bestaand vastgoed De beoordeling van de mate van brandwerendheid van een bestaande deurconstructie betreft een complex vraagstuk, waarbij met behulp van de omschreven methodiek de samenstelling van de puiconstructie integraal wordt onderzocht. In het kader van deze analyse worden o.a. de onderstaande onderdelen van de deur belicht: Taatsdeur, dubbele of enkele deurconstructies Massief deurblad of deur met een vulling; Dikte deurblad; Type vulling deurblad; Materialisatie kozijn; Effectieve aanslag i.c.m. aanwezige naad rondom deurblad; Vlakvulling; Hang- en sluitwerk; Aanwezigheid brandwerende strip. Afbeelding 3: Samenstelling deur Aan de hand van de in de methodiek opgenomen uitgangspunten en de in bijlage C van de richtlijn opgenomen stroomschema’s kunnen de bovenstaande componenten worden beoordeeld. Op basis van de stroomschema’s kunnen grofweg een viertal conclusies worden getrokken: De deurconstructie voldoet aan de gestelde brandwerendheidseis; De deurconstructie kan met aanpassingen aan de gestelde brandwerendheidseis voldoen; De deurconstructie voldoet niet aan de gestelde brandwerendheidseis en dient te worden vervangen; Aanvullend onderzoek (Expert Judgement) is benodigd. Leer meer over bouwkundige brandveiligheid Mocht u meer inzicht willen krijgen in de toepassing van de beoordelingsmethodiek voor brandwerende deuren verwijzen wij u graag naar de opleiding ‘Specialist bouwkundige brandveiligheid’. Deze 3-daagse opleiding aangeboden door Obex geeft een volledig en integraal beeld van de bouwkundige brandveiligheidsvoorschriften en praktijktoepassingen. Geschreven door Nick WarnshuisSenior Consultant Brandveiligheid
Kennispublicatie: Hoe leren mensen?

Leren doen we allemaal, elke dag. Maar hoe werkt dat eigenlijk in ons brein? Waarom onthouden we sommige dingen zonder moeite, terwijl andere informatie alweer verdwenen lijkt voordat we er iets mee kunnen? Leren is meer dan alleen het opnemen van nieuwe informatie. Een hele dag in de schoolbanken zitten en alleen maar luisteren naar een docent werkt niet—dat weten we inmiddels. Ons brein is geen spons die eindeloos kennis kan absorberen. Het moet prikkels filteren, informatie verwerken en deze uiteindelijk opslaan in het langetermijngeheugen. Echte kennis beklijft pas als deze wordt opgeslagen in het langetermijngeheugen. Maar om daar te komen, moet het brein eerst de informatie verwerken en organiseren. Dit proces kent zijn grenzen: het werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit en kan maar een paar nieuwe eenheden tegelijk vasthouden. Als we te veel of te complexe informatie in één keer aanbieden, raakt het werkgeheugen overbelast. Dit wordt ook wel beschreven in de Cognitive Load Theory (Sweller, 2011). Daarom is het belangrijk om slim om te gaan met hoe we kennis aanbieden, zodat deze effectief blijft hangen. Bij Obex Opleidingen gebruiken we verschillende principes om nieuwe kennis over brandveiligheid beter op te slaan en overbelasting van het werkgeheugen te voorkomen. Voorkennis activeren Wanneer we iets nieuws leren, bouwen we altijd voort op wat we al weten. Ons brein is namelijk geen blanco blad, maar een netwerk van kennis en ervaringen. Hoe beter nieuwe informatie aansluit op wat er al in ons hoofd zit, hoe makkelijker we het verwerken en onthouden. Eigenlijk is het als een kapstok voor nieuwe kennis: “Nieuwe kennis heeft een haakje nodig om aan te blijven hangen.” Tijdens een opleiding bij Obex Opleidingen kijken we daarom altijd naar wat cursisten al weten. Dat kan bijvoorbeeld door de dag te beginnen met een interactieve quiz, een korte discussie of een praktijkvoorbeeld dat aansluit bij hun ervaring. Actieve werkvormen Bij onze opleidingen ga je niet alleen “een paar dagen terug in de schoolbanken”, we halen je er ook regelmatig even uit. In de praktijk betekent dat minder zenden door de docent en meer inbreng van de cursist. Door actief te leren sla je de nieuwe informatie beter op. Dit kan door het stellen van vragen, het uitvoeren van opdrachten of zelfs door te bewegen. Wist je dat we bij sommige opleidingen zelfs een inspectieronde door het gebouw doen? Dit zorgt ervoor dat cursisten direct kunnen zien hoe de theorie zich vertaalt naar de praktijk en hoe zij risico’s in hun eigen werkomgeving beter kunnen herkennen. Theorie aansluiten op de praktijk. Kennis blijft het beste hangen als je het direct kunt toepassen in je werk. Daarom combineren we bij Obex Opleidingen theorie altijd met praktijkgerichte oefeningen. We gaan je dus niet alleen klaarstomen voor het examen, maar zorgen ervoor dat je de kennis daadwerkelijk kunt gebruiken in realistische situaties. We oefenen dit bijvoorbeeld door casussen te behandelen en ruimte te geven aan eigen praktijkvoorbeelden. Hierdoor wordt leren niet alleen effectiever, maar ook relevanter en interessanter. Bovendien brengen onze docenten, met hun ruime praktijkervaring, de leerstof tot leven. Afsluiting Leren werkt het best als je nieuwe kennis begrijpt, toepast en onthoudt. Bij Obex Opleidingen zorgen we ervoor dat leren niet stopt bij luisteren, maar een actieve en praktijkgerichte ervaring is. Want uiteindelijk is kennis pas echt waardevol als je er in de echte wereld mee aan de slag kunt. “Wat je begrijpt, onthoud je. Wat je toepast, beheers je.” Geschreven door Nynke van der WijkOnderwijskundige
Kennispublicatie: Prioscan brandveiligheid

Er zijn veel organisaties met een groot vastgoedbestand. De eigenaren van dit vastgoedbestand zijn primair verantwoordelijk dat hun vastgoed voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving. Hieronder valt ook de wet- en regelgeving omtrent brandveiligheid. Voor veel vastgoedeigenaren is het onvoldoende inzichtelijk in hoeverre gebouwen voldoen aan de voorschriften omtrent brandveiligheid. Om dit in kaart te brengen kunnen prioscans brandveiligheid uitgevoerd worden. Vanuit een prioscan brandveiligheid wordt duidelijk welke brandveiligheidsrisico’s aanwezig zijn in bouwwerken en in welke gebouwen gestart moet worden met herstelwerkzaamheden om deze gebouwen te laten voldoen aan de gestelde eisen. Wat een prioscan inhoudt en wat hiermee bereikt wordt, wordt in deze kennispublicatie nader toegelicht. Doel prioscan brandveiligheid Zoals in de inleiding al enigszins beschreven staat, het doel van het uitvoeren van een prioscan brandveiligheid betreft het globaal in kaart brengen van het niveau van brandveiligheid binnen een gebouw in combinatie met de aanwezige gebruiksfunctie(s). Een prioscan brandveiligheid wordt uitgevoerd middels een locatiebezoek waarbij een inspectie op hoofdlijnen van het bouwwerk wordt uitgevoerd. Door het uitvoeren van de prioscan brandveiligheid wordt er een prioriteit gekoppeld op basis van de aanwezige tekortkomingen op het gebied van brand- en vluchtveiligheid in relatie tot de aanwezige gebruiksfunctie(s). Tijdens het uitvoeren van het locatiebezoek, staat de veiligheid van de gebruikers centraal. Het behoud van het gebouw en de goederen aanwezig binnen het gebouw zijn geen publiekrechtelijke doelen, eventuele constateringen worden meegenomen zodat een volledig beeld ontstaat. Een brand moet beheerst kunnen worden en de gebruikers dienen het gebouw veilig te kunnen verlaten, dit zijn immers de doelstellingen uit de vigerende wet- en regelgeving[1]. Uitvoering prioscan brandveiligheid Het uitvoeren van prioscans brandveiligheid begint met het in kaart brengen van alle gebouwen, die onderdeel uitmaken van het volledige vastgoedbestand dat geïnspecteerd moet worden. De opdrachtgever geeft daarbij aan welke gebruiksfuncties in de bouwwerken aanwezig zijn, deze gebruiksfuncties zullen als leidraad aangehouden worden wanneer een consultant de locatie zal inspecteren. Hierna wordt een zo optimaal en efficiënt mogelijke planning gemaakt, om meerdere locaties op één dag te bezoeken. Tijdens het locatiebezoek inspecteert (op hoofdlijnen) en beoordeelt een consultant het gebouw op de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische (BIO) brandveiligheidsvoorzieningen. Uit deze beoordeling volgt een prioritering overeenkomstig het vastgestelde toets- en beoordelingskader. Op basis van deze priortering kan het gehele vastgoedbestand worden gekwalificeerd op basis van risico’s. Gestart kan en dient (in beginsel) te worden gestart met herstelwerkzaamheden in gebouwen die het slechtst gescoord hebben, hier is de noodzaak het hoogst. Dit kan omdat de doelgroep het noodzakelijk maakt om dit zo snel mogelijk op te pakken, maar ook kan de staat van een gebouw dusdanig slecht zijn dat herstel direct benodigd is. Dit houdt echter niet in dat er helemaal geen aandacht benodigd is voor een gebouw met een goede score. Alleen kan geconstateerd worden dat herstel minder noodzakelijk geacht kan worden. Zodoende weet de vastgoedeigenaar waar de grootste risico’s aanwezig zijn en kunnen vervolgstappen uitgezet gaan worden. Prioscan brandveiligheid uitgevoerd, en dan? Wanneer prioscans brandveiligheid zijn uitgevoerd is in kaart gebracht welke bouwwerken als eerste aandacht nodig zijn op het gebied van brandveiligheid. De vervolgstap is om brandveiligheidsonderzoeken uit te voeren in gebouwen met de hoogste risico’s. In een brandveiligheidsonderzoek wordt breder en tot in detail een bouwwerk geïnspecteerd. Wanneer het brandveiligheidsonderzoek is uitgevoerd kunnen in beginsel de vervolgstappen vastgesteld, gepland en uitgevoerd gaan worden. Indien er veel tekortkomingen geconstateerd zijn en de brandcompartimentering niet eenduidig vastgelegd is, zal normaliter geadviseerd worden om een brandveiligheidsconcept op te stellen. Hierin worden de uitgangspunten voor het gebouw vastgelegd op het gebied van brandveiligheid. Na afstemming en accordering vanuit het bevoegd gezag kunnen de herstelwerkzaamheden in gang gezet worden op basis van dit brandveiligheidsconcept. Meer informatie? Brafon kan een prioscan brandveiligheid voor uw vastgoedbestand uitvoeren. Voor meer informatie kunt u hier terecht. Een goede start maken met uw vastgoedbestand brandveilig maken volgens de vigerende wet- en regelgeving? Vastgesteld beleid geeft hierin duidelijkheid, zowel bij inspecteren als bij herstel van gebouwen. Start met het opstellen van een beleidsplan brandveiligheid. Brafon kan u hierbij ondersteunen, kijk hier voor meer informatie. [1] De publiekrechtelijke doelen zijn: – Het zoveel mogelijk voorkomen van doden en/of gewonden met blijvend letsel en het zoveel mogelijk beperken van het aantal gewonden zonder blijvend letsel bij brand. – Een brand moet zodanig beheersbaar zijn, dat – zowel direct als indirect – zo min mogelijk nadelige effect buiten een vooraf bepaald gebied ontstaat. Tyrza PlompConsultant Brandveiligheid
Kennispublicatie: de ‘woonfunctie voor zorg’

De gebruiksfunctie ‘woonfunctie voor zorg’. Feitelijk een subgebruiksfunctie waarbij volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aan bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg. Maar wat wordt bedoeld met ‘professionele zorg’? En wanneer is er sprake van een vanuit het zorgaanbod ‘georganiseerde koppeling’ tussen wonen en zorg? Deze vragen worden in deze kennispublicatie beantwoord. Hierbij worden de zienswijzen van het Min. BZK, de ATGB en het IPLO[1] (als dit nodig wordt geacht) nader toegelicht en worden uiteindelijk conclusies gegeven over deze subgebruiksfunctie. De ‘woonfunctie voor zorg’ in het Bbl In het Bbl is de subgebruiksfunctie ‘woonfunctie voor zorg’ opgenomen[2]. Vanuit het Bbl wordt gesteld dat onder de ‘woonfunctie voor zorg’ woonfuncties vallen waarbij aan bewoners ‘professionele zorg’ wordt aangeboden. Ook is aangegeven dat er sprake moet zijn van een ‘georganiseerde koppeling’ tussen wonen en zorg. Een verdere uitleg over ‘professionele zorg’ en ‘georganiseerde koppeling’ wordt beperkt gegeven in de Nota van toelichting. Hierin is aangegeven dat een ‘woonfunctie voor zorg’ een woonfunctie is waarbij aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg in een daarvoor bestemde en uitgeruste woonfunctie. Onbekend is het wat bedoeld wordt met ‘bestemde en uitgeruste’. Dit is niet verder gedefinieerd. Om te kunnen concluderen of er sprake is van de ‘woonfunctie voor zorg’ moet vastgesteld worden wat deze twee begrippen inhouden overeenkomstig dit Bbl. ‘Professionele zorg’ volgens de bouwregelgeving Het begrip ‘professionele zorg’ is niet in het Bbl omschreven, noch op een andere wijze in de Omgevingswet. Het betekent dat dit begrip een functioneel karakter heeft, wat betekent dat het bevoegd gezag enige beoordelingsvrijheid heeft bij een toepassing van dit begrip. Vanuit de Nota van toelichting op het Bbl is aangegeven dat ‘professionele zorg’ in de regel wordt verleend op grond van de Wlz (Wet langdurige zorg) of de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning). Mantelzorg wordt hierdoor niet beschouwd als professionele zorg. ‘Georganiseerde koppeling’ volgens de bouwregelgeving Ook het begrip ‘georganiseerde koppeling’ is niet verder omschreven. Op basis van de Nota van toelichting kan geconcludeerd worden dat een woonfunctie waar de aanbieder van zorg (lees: zorgverlener) ook de verantwoordelijkheid heeft over de woonfunctie, in ieder geval beschouwd kan worden als een woonfunctie met een georganiseerde koppeling. Wie bepaalt of sprake is van een ‘woonfunctie voor zorg’? De mate van zorg die wordt verstrekt wordt in beginsel bepaald door de professionele aanbieder van de zorg. Bij aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen of bij het doen van een melding brandveilig gebruik bepaalt de aanvrager welke (sub)gebruiksfunctie aanwezig is of zal zijn. Een bevoegd gezag is belast (bij een aanvraag omgevingsvergunning) met de toetsing van de aanvraag en hiermee met de toetsing van de aangevraagde (sub)gebruiksfunctie. Het op eigen initiatief toetsen op basis van een andere (sub)gebruiksfunctie is niet toegestaan. Wel kan ten tijde van gebruik het bevoegd gezag de omgevingsvergunning of melding brandveilig gebruik toetsen. Mocht geconstateerd worden dat het actuele gebruik in strijd is met de vergunde of gemelde (sub)gebruiksfunctie, kan handhaving plaatsvinden. De (sub)gebruiksfunctie wordt hiermee bepaald door het daadwerkelijke gebruik van (een deel van) het bouwwerk. Factsheet Min. BZK Door het Min. BZK is in april 2024 een factsheet ‘Brandveiligheid bij zorggeschikte woningen in geclusterde woonvormen’[3] uitgegeven. Doel van deze factsheet is om kader te bieden over het inrichten van brandveiligheid bij nieuwe geclusterde woonvormen met zorggeschikte woningen en het bieden van houvast. In deze factsheet is ook benoemd dat er bij een ‘woonfunctie voor zorg’ sprake moet zijn van een ‘professionele zorg’. Gesteld is dat ‘professionele zorg’ in verschillende gradaties geboden kan worden. Echter geeft de factsheet geen verdiepende uitleg. Aangegeven is dat bij sprake moet zijn van een ‘georganiseerde koppeling’ bij een ‘woonfunctie voor zorg’. Gesteld is dat er enige vorm van samenwerking moet bestaan tussen gebouweigenaar/verhuurder en een zorginstelling, die ertoe leidt dat bewoners in de betreffende woonfunctie gaan wonen vanwege de geboden zorg. Ook wordt gesteld dat de zorg plaats dient te vinden in een daartoe bestemde woonfunctie. Onbekend is het wat hiermee exact vanuit de factsheet wordt bedoeld. Aanvullend moet worden benoemd dat de onderstaande conclusies worden gegeven over de ‘woonfunctie voor zorg’, welke mijns inziens onjuist zijn. Bewoners kunnen na verloop van tijd zorgbehoevend worden, waarbij men in de eigen woning blijft wonen. Ze blijven in de huidige maatschappij juist vaker thuis wonen, waarbij (professionele) zorg wordt ingekocht. Dit wijkt af van de zienswijze vanuit de factsheet, waarin is gesteld dat bewoners in een ‘woonfunctie voor zorg’ gaan wonen vanwege de geboden zorg; Gesteld is dat binnen een ‘woonfunctie voor zorg’ een brandmeldinstallatie en/of een BHV-organisatie is vereist. Dit is niet voor alle ‘woonfuncties voor zorg’ het geval. Over de eis met betrekking tot brandmeldinstallaties, in figuur 1 van de factsheet wordt wel een correcte uiteenzetting gegeven; Aangegeven is dat de zorgaanbieder (een deel van) de verantwoordelijkheid voor het veilig vluchten overneemt van de bewoner(s). Ook dit is in meerdere ‘woonfuncties voor zorg’ niet het geval, te denken aan geclusterde woonfuncties voor zorg (met zorg op afspraak); Belangrijk is het voor bestaande woonfuncties voor zorg, niet zijnde de woonfuncties voor zorg die voorzien moeten zijn van een brandmeldinstallatie, er in bepaalde situaties geen verplichting geldt voor het hebben van rookmelders. De factsheet stelt dat voor zelfstandige woningen te allen tijde een ‘rookmelderverplichting’ geldt. Zorgclusterwoningen waarbinnen zorg op afspraak wordt verleend hoeven volgens artikel 3.117 Bbl niet te worden voorzien van rookmelders. Dit neemt niet weg dat mijns inziens in alle gevallen geadviseerd moet worden dit wel als zodanig door te voeren. Conclusies Geconcludeerd kan worden dat het Bbl maar ook diverse instanties geen eenduidig beeld neerzetten van de ‘woonfunctie voor zorg’. Professionele zorg kent geen verdere uitleg vanuit het Bbl en ook niet vanuit de factsheet. Mijns inziens is er sprake van ‘professionele zorg’ wanneer zorgverleners beroepsmatig zorg verlenen. Dit is overeenkomstig de zienswijze van het IPLO. Ook over het begrip ‘georganiseerde koppeling’ is geen eenduidig kader vast te stellen. Gesteld kan worden dat hiervan in ieder geval sprake is
Kennispublicatie: Goederen in vluchtwegen 2025

In februari 2023 hebben wij onze expertise gedeeld in een kennispublicatie over het thema: Goederen in vluchtwegen. Deze uitgave biedt een grondige analyse van de regelgeving rondom brandveilig gebruik van gebouwen en het risico dat goederen in vluchtwegen met zich meebrengen. Hoewel de implementatie van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) tot nu toe minimale wijzigingen heeft gebracht in de regelgeving betreffende brandbare objecten in verkeersruimten, verwachten wij significante veranderingen in de nabije toekomst. Vluchtroutes en de daarin aanwezige goederen fungeren bij noodsituaties als obstakels, vooral in gemeenschappelijke vluchtroutes van wooncomplexen, wat de vluchtveiligheid van bewoners negatief beïnvloedt. Toezicht op de inrichting en aankleding van vluchtroutes is in de praktijk lastig, omdat controles momentopnames zijn en de situatie door dynamisch gebruik dagelijks kan variëren. Wet- en regelgeving De fundamenten van brandveiligheid binnen wooncomplexen zijn vastgelegd in de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze documenten beschrijven de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische vereisten voor brandveiligheid. De algemene zorgplicht Vanuit de algemene zorgplicht zijn overheden, bedrijven en burgers verantwoordelijk voor een veilige en gezonde leefomgeving. Iedereen moet maatregelen nemen die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, met als doel die nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken of, van de activiteit af te zien, als dat niet voldoende kan. Indien een gebouweigenaar bijvoorbeeld onvoldoende onderhoud uitvoert aan een bouwwerk bestaat het gevaar op instorten van dat bouwwerk. De nadelige gevolgen voor de leefomgeving die hierbij ontstaan, zijn dan in strijd met deze algemene zorgplicht. De algemene zorgplicht moet gezien worden als een ‘vangnet’ voor die gevallen waar geen sprake is van specifieke regels, zorgplichten of vergunningvoorschriften. Zodra activiteiten en gevolgen van activiteiten zich voordoen die niet nader zijn gereguleerd, omdat de wetgever ze niet heeft voorzien, is deze zorgplicht belangrijk. De algemene zorgplicht kan door het bevoegd gezag alleen bestuursrechtelijk worden gehandhaafd door bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang. Het strafrechtelijk handhaven van de algemene zorgplicht kan het bevoegd gezag niet. Specifieke zorgplichten In de Omgevingswet is een algemene zorgplicht (artikel 1.6) en in het Bbl is een drietal specifieke zorgplichten opgenomen (artikel 2.6, 3.5 en 6.4). De voormalige algemene zorgplicht van de Woningwet (artikel 1a) is in het Bbl opgenomen in een drietal specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplichten gaan dieper in op de algemene zorgplicht, waarbij deze concreter zijn en voor specifieke activiteiten. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels, die direct gelden voor burgers en bedrijven. Anders dan de algemene zorgplicht, gelden specifieke zorgplichten altijd voor de betreffende specifieke activiteit. Het bevoegd gezag kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk specifieke zorgplichten handhaven. Artikel 6.4 (Specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken) In Besluit bouwwerken leefomgeving heeft de wetgever een specifieke zorgplicht opgenomen, voor het brandveilig gebruik van gebouwen (art 6.4 Bbl). Hierin wordt gesteld dat: ‘Degene die redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een situatie kan ontstaan, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat: brandgevaar wordt veroorzaakt; bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt; de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd; het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd; het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd; en er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.’ Bovenstaande is inhoudelijk niet significant anders vergeleken met de zorgplicht vanuit de Woningwet en het Bouwbesluit 2012. Vanuit de in de Omgevingswet opgenomen zorgplicht wordt de eigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de (brand-)veiligheid binnen het gebouw, echter heeft de gebruiker ook verantwoordelijkheden. Hieromtrent dienen afspraken binnen een Vereniging van Eigenaren (VvE) of in de huurovereenkomst te worden vastgelegd (‘goed huurderschap’). Overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek is de huurder immers verplicht ‘zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goede huurder te gedragen’ (artikel 7.213 BW). Hierbij dient te worden vermeld dat de verantwoordelijkheid door de eigenaar in de huurovereenkomst niet kan worden ‘weg-gecontracteerd’. Uit jurisprudentie is gebleken dat de eigenaar van het gebouw tevens verantwoordelijk is om toezicht te houden op de naleving van de in de huurovereenkomst opgenomen afspraken tussen huurder en verhuurder. Brandveilig gebruik Voorschriften op gebied van brandveilig gebruik zijn beschreven in afdeling 6.2 Brandveiligheid van het Bbl. In deze afdeling zijn regels opgenomen (in artikel 6.14) voor de aankleding van een besloten ruimte, met oog op het voorkomen van brandgevaar. Hierin staat onder andere dat in een gemeenschappelijke besloten ruimte van een woongebouw de aankleding geen brandgevaar mag opleveren. En dat dit gevaar in ieder geval niet aanwezig is als de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert; onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064; voldoet aan brandklasse A1 bedoeld in NEN-EN 13501-1; voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen, bedoeld in paragrafen 3.2.7 en 4.2.7; of een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur heeft van ten hoogste 60 seconden. Bovenstaande betekent dus dat in een gemeenschappelijke besloten ruimte (corridors, besloten galerijen en trappenhuizen) geen brandbare materialen mogen worden gestald. Een tafeltje en stoeltjes in de gang van een woongebouw mag alleen worden toegestaan als deze voldoen aan ten minste een van de bovenstaande eisen. Wat is wel toegestaan? Per 1 juli 2024 is artikel 6.15a van het Bbl inwerking getreden. Artikel 6.15a (geen brandgevaarlijke objecten op vluchtroute, woongebouw) geeft een nog specifiekere beschrijving van wat niet in de een gemeenschappelijk verkeersruimte aanwezig mag zijn. En luidt als volgt: In een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen brandbare objecten aanwezig. Onder brandgevaarlijke object worden in ieder geval verstaan: meubilair; fietsen en scootmobielen; afvalstoffen en kratten; en decoratie In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a en d, is meubilair en decoratie toegestaan als het: van metaal, steenachtig materiaal of glas is; materiaal dat onbrandbaar is volgens NEN 6064; of materiaal dat voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501. Het eerste lid in niet van toepassing op: Objecten voor bewegwijzering en informatie aan bewoners; Een foto, een schilderij of
Kennispublicatie: rechtens verkregen niveau

Kennispublicatie: rechtens verkregen niveau In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is, net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012, het rechtens verkregen niveau in de meeste gevallen bepalend bij verbouw. In het Bbl is de opzet van de verbouwregels veranderd. Het Bouwbesluit 2012 stelde dat de nieuwbouwregels als hoofdregel golden bij verbouwingen en dat hierop per onderdeel uitzonderingen gemaakt konden worden. Geconstateerd werd, in de periode dat het Bouwbesluit 2012 van kracht was, dat op de meeste onderdelen afgeweken kon worden. In plaats van de nieuwbouwregels gold in die situaties het rechtens verkregen niveau. In het Bbl is ervoor gekozen het rechtens verkregen niveau als hoofdregel aan te houden. Door deze keuze is de regelgeving wat betreft verbouw[1] ingekort. Het minimum eisenniveau dat bij verbouw moet worden aangehouden is het rechtens verkregen niveau, behalve als in de verbouwvoorschriften (opgenomen in afdeling 5.3 Bbl) anders is aangegeven. Begrip rechtens verkregen niveau Het begrip rechtens verkregen niveau is opgenomen in artikel 5.5 lid 1 Bbl en luidt: het kwaliteitsniveau van een bouwwerk of gedeelte daarvan is na een verbouwing niet lager dan het toegestane kwaliteitsniveau onmiddellijk voorafgaand aan die verbouwing. Het gaat hierbij om het kwaliteitsniveau dat is verkregen door bouw- en verbouwactiviteiten voor zover dat niveau legaal (rechtmatig) is verkregen. Indien een bouwwerk vergunningsplichtig was volgen deze eisen uit de daarvoor verleende vergunning. Als een bouwwerk of gedeelte daarvan vergunningsvrij gebouwd mocht worden gaat het om de eisen die op het moment van dat vergunningsvrije bouwen van toepassing waren. Inhoudelijk is de tekst behorende bij het begrip rechtens verkregen niveau gewijzigd, echter is met de verandering in terminologie ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 geen inhoudelijke wijziging beoogd. Niveau bestaande bouw (Bbl)Indien het aanwezige kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing lager zou zijn dan het niveau bestaande bouw moet na de verbouwing ten minste aan het niveau bestaande bouw moeten zijn voldaan. Hierbij moet zoals benoemd rekening worden gehouden met de verbouwvoorschriften, die verzwarend kunnen werken bij uitvoering van verbouwingen. Niveau nieuwbouw (Bbl)Als het kwaliteitsniveau van een bepaald aspect voorafgaand aan de verbouwing hoger is dan het nieuwbouwniveau, dan biedt het Bbl de mogelijkheid om bij verbouwing in kwaliteit terug te gaan tot het nieuwbouwniveau, zoals dat is voorgeschreven in het Bbl. Het rechtens verkregen niveau is hiermee begrensd door het niveau bestaande bouw aan de onderzijde en het niveau nieuwbouw aan de bovenzijde. Rechtszekerheid omgevingsvergunning Vanuit artikel 1b Woningwet, dat tot er met 31 december jl. van kracht was, was de rechtszekerheid van een omgevingsvergunning activiteit bouwen (bouwvergunning) geregeld. Op grond van dit artikel was het verboden een bouwwerk in een staat te brengen, te laten komen of te houden, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze die niet voldeed aan de voorschriften die onder andere waren opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Aanvullend hierop stelde het artikel dat het verboden was te bouwen (en hiermee ook verbouwen) in strijd met de van toepassing zijnde voorschriften (niveau nieuwbouw vanuit het Bouwbesluit), tenzij een vergunning voor het bouwen het uitdrukkelijk toestond. Huidige situatieOp dit moment is er nog geen artikel wat de prevalerende werking van de omgevingsvergunning boven het Bbl regelt. Dit betekent in beginsel dat ongeacht wat er in de vergunning staat, er voldaan moet worden aan de voorschriften vanuit het Bbl die golden op het moment van vergunningsverlening. Er is echter een wijziging in procedure die deze prevalerende werking van de vergunning terugbrengt. Met implementatie van artikel 2.7a in het Bbl wordt de regeling zoals die onder het recht voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op grond van artikel 1b Woningwet gecontinueerd. Artikel 2.7a Bbl brengt tot uitdrukking dat als er wordt gebouwd met een omgevingsvergunning die toestaat dat wordt gebouwd in afwijking van een in hoofdstuk 4 of 5 van het Bbl gestelde regel, de omgevingsvergunning voorgaat. Bouwwerkinstallaties Ook bij het veranderen van een bouwwerkinstallatie is het rechtens verkregen niveau van toepassing. Wordt een bouwwerkinstallatie geheel vernieuwd, dan zijn de nieuwbouwregels van toepassing. Van geheel vernieuwen is sprake als de installatie volledig, inclusief de bedrading, bekabeling of andere infrastructuur wordt vervangen. Het vervangen van een bijvoorbeeld een brandmeldinstallatie met behoud van de oorspronkelijke bekabeling, of een gedeelte daarvan, is zodoende geen geheel vernieuwen. Kortom, van het geheel nieuw aanbrengen van een installatie is enkel sprake als er een installatie wordt aangebracht die er eerst niet was. [1] Verbouwen is het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Belangrijk verschil met het Bouwbesluit 2012 is dat het geheel vernieuwen van een bouwwerk niet meer onder verbouw valt, maar onder nieuwbouw. Deze kennispublicatie is opgesteld door Bart Lohuis
Kennispublicatie: Toezichthouder Kwaliteitsborging Brandveiligheid

Binnen BVM Groep Nederland, waar Brafon en Obex onderdeel van zijn, werkt Brafon advies en implementatie nauwgezet met onze toezichthouders kwaliteitsborging brandveiligheid (hierna ‘toezichthouder’). Deze kennispublicatie licht toe hoe de rol van toezichthouder vorm krijgt binnen onze projecten. In de afgelopen jaren kregen wij als Brafon steeds vaker de vraag of wij de volledige verantwoordelijk voor de complete uitvoering van brandveiligheidsprojecten op ons konden nemen. Brafon is met name sterk vertegenwoordigd in bestaande bouw en het op peil brengen van de brandveiligheidsvoorzieningen. Dit voeren wij uit samen met meerdere (vaste) partners. Op deze wijze zorgen wij ervoor dat het concrete advies ook wordt omgezet in plannen en daden. Dit levert niet alleen brandtechnisch, maar ook financieel aanzienlijk betere uitkomsten op voor onze klanten, vergeleken met traditionele aanbestedingen. Onze toezichthouders dragen, in samenwerking met een projectleider of een brandveiligheidsmanager, de verantwoordelijkheid voor het succesvol volbrengen van projecten, in lijn met de afspraken en verwachtingen van onze opdrachtgevers. Deze opdrachten kunnen variëren van het herstellen van brandwerende scheidingen, het vervangen van brandmeldinstallaties tot het begeleiden van uitgebreide verbouwingen en nieuwbouwprojecten. De toezichthouder zorgt voor een juiste coördinatie tussen de uitvoerende partij (hierna ‘aannemer’) en de opdrachtgever (en de projectleider/brandveiligheidsmanager, indien aanwezig). Een belangrijk gegeven is dat dit op basis van goed vertrouwen moet verlopen om zo binnen deze driehoek een “teamgevoel” te creëren. Hieronder volgt een gedetailleerde beschrijving van alle werkzaamheden: De toezichthouder ontvangt het definitieve brandveiligheidsconcept welke is opgesteld door één van de consultants vanuit de brandveiligheidsmanager/projectleider. De prijsvorming moet begeleid worden door de toezichthouder (op basis van een rondgang op locatie). De prijs (begroting/offerte) die door de aannemer wordt geleverd moet gebaseerd zijn op het definitieve brandveiligheidsconcept. De rondgang wordt door de toezichthouder georganiseerd en met de opdrachtgever (en de brandveiligheidsmanager) afgestemd. De contactgegevens hiervoor ontvangt de toezichthouder vanuit de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. De offerte die opgesteld wordt door de aannemer (naar aanleiding van het brandveiligheidsconcept tezamen met de rondgang op locatie) wordt overeenkomstig de uitvraag ontvangen door de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. De toezichthouder of de brandveiligheidsmanager controleert of de geoffreerde prijzen in lijn liggen met eerdere afgegeven prijzen en marktconformiteit.Indien dit voldoet kan opdracht worden verstrekt vanuit de opdrachtgever, een positief advies richting de opdrachtgever zal volgen. Indien prijzen niet in lijn liggen met de eerder afgegeven prijzen zal de toezichthouder of de brandveiligheidsmanager dit bespreken met de aannemer om tot een juiste offerte te komen. Na goedkeuring/opdrachtverstrekking aan de aannemer vanuit de opdrachtgever wordt de offerte doorgestuurd richting de toezichthouder. Een werklijst (inspectielijst ten tijde van toezichthouding) en een opleverrapport worden door de toezichthouder opgesteld, SnagStream wordt gebruikt om tijdens de tussentijdse inspecties en oplevering tekortkomingen, constateringen e.d. vast te leggen (naar inzicht van de toezichthouder). De tekeningen die in SnagStream worden ingeladen zijn de tekeningen, behorende bij het definitieve brandveiligheidsconcept. De toezichthouder organiseert voorafgaand aan de uitvoering een startoverleg (Kick-Off) waarbij de aannemer en de opdrachtgever aanwezig zijn. Dit in overleg met de brandveiligheidsmanager, indien aanwezig. De opdrachtgever zorgt ervoor dat aanvullende medewerkers eventueel aansluiten (de toezichthouder informeert de opdrachtgever dat alle benodigde medewerkers van de opdrachtgever bij het startoverleg aanwezig zullen zijn. De toezichthouder ontvangt de contactgegevens van alle aanwezigen vanuit de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. Van dit startoverleg wordt een verslag gemaakt waarin de afspraken omtrent materiaalkeuze, werktijden, opslag materialen, etc. worden vastgelegd. De toezichthouder is het aanspreekpunt vanuit de verschillende actoren. M.b.t. problematiek aangaande het project is de toezichthouder het aanspreekpunt. Indien er zaken zijn die niet door de toezichthouder opgelost kunnen worden, wordt door de toezichthouder opgeschaald richting de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. De toezichthouder organiseert (tussentijdse) inspecties om vast te stellen in hoeverre de uitvoering voldoet aan de vereisten. Van deze inspectie wordt een inspectierapport gemaakt. Deze wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. Na accordering vanuit de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager wordt het inspectierapport ter kennisgeving gestuurd richting de aannemer en eventueel de opdrachtgever. De toezichthouder organiseert de oplevering. Deze oplevering kan enkel worden georganiseerd als alle benodigde documenten conform uitvraag zijn geleverd door de aannemer. Dit betreffen de onderstaande documenten: Testrapporten en productinformatie over de toegepaste producten Logboek brandwerende voorzieningen vanuit de aannemer Eventueel certificaten of verklaringen vanuit leverancier(s). Na oplevering wordt een opleverrapport opgesteld door de toezichthouder. Eventuele restpunten worden vermeld in het opleverrapport. In overleg met de aannemer wordt hieromtrent een gereviseerde planning overeengekomen. Dit in samenspraak met de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. Indien benodigd zal een heroplevering volgen. De afhandeling (of middels foto’s, dan wel middels een herinspectie/oplevering op locatie) bepaalt de toezichthouder tezamen met de opdrachtgever of de brandveiligheidsmanager. Nadat bovenstaande stappen zijn voltooid zorgt de toezichthouder voor overdracht richting de opdrachtgever. Dit bestaat uit het compleet aanleveren van alle inspectierapporten, het opleverrapport, het logboek van brandwerende voorzieningen, testrapporten/productinfo van de gebruikte producten en eventueel verklaringen/certificaten van de leverancier(s). ConclusieKortom, alles valt of staat met een duidelijke rolverdeling, een juiste demarcatie van werkzaamheden, het maken van goede afspraken en vertrouwen in elkaar. Een toezichthouder speelt daar een uitermate belangrijke rol in. Wilt u meer weten over de rol van toezichthouder? Dan nodigen wij u uit om de opleiding ‘Toezichthouder Brandveiligheid’ te volgen bij Obex. Of mocht u na het lezen van deze kennispublicatie meer informatie ontvangen over de werkzaamheden van een toezichthouder? Dan kunt u altijd contact met ons opnemen. Pieter PeetersSenior Toezichthouder Kwaliteitsborging Brandveiligheid
Kennispublicatie: Zorgplicht Bbl

Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Vanuit deze wet wordt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) als één van de vier uitvoeringsbesluiten aangestuurd. Dit besluit bevat een paar wijzigingen omtrent de controle, het beheer en het onderhoud voor de toegepaste bouwwerkinstallaties. In deze kennispublicatie geven wij inzicht in de huidige eisen omtrent controle, beheer en onderhoud van bouwwerkinstallaties en dan met name over de brandbeveiligingsinstallaties, zoals deze voortvloeien uit het huidige publiekrecht. In een gebouw zien we vaak verschillende installaties als we het hebben over installatietechnische brandveiligheid. Wie kent niet de groene pictogrammen boven de deuren (vluchtrouteaanduiding), de brandslanghaspels, mobiele blussers, rookmelders en de brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties? En zo zijn er nog meer installaties die nodig kunnen zijn om een brandveilig gebouw te realiseren. Al deze bouwwerkinstallaties hebben in principe onderhoud nodig? Het Bbl bevat meerdere specifieke zorgplichten, de specifieke zorgplicht aangaande controle, beheer en onderhoud van bouwwerkinstallaties is verwoord in artikel 2.6 Bbl. In dit artikel (artikel 2.6 Bbl) wordt gesteld dat een wettelijk vereiste bouwwerkinstallatie te allen tijde moet functioneren overeenkomstig de op de installatie van toepassing zijnde voorschriften, zoals aangegeven in het Bbl. Voorts moet de installatie adequaat worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. Het is aan de eigenaar/gebruiker daar invulling aan te geven. Het bevoegd gezag kan bij handhaving beoordelen of daaraan op juiste wijze gevolg is gegeven. Maar wat wordt dan met “adequaat” bedoeld? Dit is nogal een breed begrip. Als je in het woordenboek kijkt bij adequaat, staat daar als betekenis: “geschikt voor het beoogde doel”. Het beoogde doel is uiteraard dat de installatie goed functioneert, maar het zegt hiermee niet direct iets over de frequentie en intensiteit van het onderhoud.De zorgplicht vanuit het Bbl stelt dat in het algemeen het voldoende zal zijn wanneer de in de handleiding of productspecificaties opgenomen instructies van de fabrikant, leverancier en installateur worden gevolgd. Ook moet het gebruik zodanig zijn dat er geen gevaar voor gezondheid of veiligheid is. Hiervoor geldt eveneens dat rekening moet worden gehouden met handleidingen en dergelijke. Hierbij wordt opgemerkt dat de instructies van een installateur sterk kunnen verschillen, waardoor de eigenaar/gebruiker zelf ook inzichtelijk zou moeten hebben wat de beoogde controle, beheer en onderhoud zou moeten inhouden. Vanuit het Bbl zijn er “slechts” vier artikelen die direct of indirect iets zeggen over de frequentie van onderhoud. Artikel 6.32 lid 2 brandmeldinstallatieIn dit artikel is benoemd dat het onderhoud, beheer en de controle van een wettelijk vereiste brandmeldinstallatie op een adequate wijze dient te geschieden. Hierbij is de verwijzing naar de NEN 2654 deel 1 komen te vervallen. In de toelichting van dit artikel komt terug dat het beheer en onderhoud volgens de NEN 2654 deel 1 kan worden gezien als een vorm van adequaat. Echter is het volgen van de norm niet vereist. Artikel 6.33 lid 2 ontruimingsalarminstallatieIn dit artikel is benoemd dat het onderhoud, beheer en de controle van een wettelijk vereiste ontruimingsalarminstallatie op een adequate wijze dient te geschieden. Hierbij is de verwijzing naar de NEN 2654 deel 2 komen te vervallen. In de toelichting van dit artikel komt terug dat het beheer en onderhoud volgens de NEN 2654 deel 2 ook kan worden gezien als een vorm van adequaat. Ook voor het onderhoud van deze installatie is het volgen van de norm niet vereist. Artikel 6.34 droge blusleidingVolgens dit artikel moet een bij of krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en een pompinstallatie eenmaal in de vijf jaar getest worden volgens NEN 1594. Naast deze eis moet ook voldaan moet worden aan artikel 2.6, wat inhoudt dat een droge blusleiding (aanvullend op het vijfjaarlijks onderhoud) adequaat gecontroleerd, beheerd en onderhouden moeten worden. 35 lid 1 en lid 2 blustoestellen en brandslanghaspelsNaast het feit dat voldaan moet worden aan artikel 2.6, wordt in dit artikel beschreven dat ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze het nodige onderhoud moet worden verricht aan een bij of krachtens de wet voorgeschreven draagbaar, verrijdbaar blusmiddel of brandslanghaspel en de goede werking van dat toestel wordt gecontroleerd. In de toelichting van dit artikel wordt de NEN 2559 (onderhoudsnorm voor draagbare blustoestellen) genoemd. Met het toepassen van deze norm kan worden geconcludeerd dat aan de onderhouds- en controleverplichting gevolg kan worden gegeven, maar het is geen directe verplichting meer te onderhouden conform deze norm. Aangaande noodverlichting en verlichte vluchtrouteaanduiding zijn geen wettelijke onderhoudsfrequenties vastgelegd. Het onderhoud, beheer en de controle moeten inzake deze installaties (indien wettelijk vereist) zoals benoemd “adequaat” zijn. Het beheer en onderhoud dient inzichtelijk/aantoonbaar te zijn op het moment dat men controle krijgt van het bevoegd gezag (of brandweer vanuit het bevoegd gezag) of verzekeraar. Daarvoor is het handig deze gegevens op één plek te bewaren, dit kan zowel digitaal als analoog in bijvoorbeeld een logboek op locatie. Het voordeel hiervan is dat men op een eenvoudige manier kan vaststellen wanneer er onderhoud heeft plaatsgevonden of dient te worden uitgevoerd. Tevens draagt dit bij in een goed inzicht over wanneer er componenten of onderdelen vervangen dienen te worden, zodat een eventuele begroting hierop aangepast kan worden. Om een brandveilig gebouw brandveilig te houden tijdens het in gebruik hebben van een bouwwerk is het van belang om documenten omtrent de toegepaste materialen, de voorschriften van de fabrikant en/of leverancier goed te documenteren. Dit zodat het beheer hiervan conform deze voorschriften instant gehouden kan blijven voor zowel de gebouweigenaar als de gebruikers van een gebouw. Laat u adviseren Het verdient de aanbeveling om aangaande controle, beheer en onderhoud beleid op te (laten) stellen, zodat binnen uw organisatie duidelijk wordt op welke wijze adequaat moet worden geïnterpreteerd. Brafon Advies & Implementatie Brandveiligheid kan u altijd helpen. Neem contact met ons op en wij zorgen voor een gedegen advies omtrent het integraal uit te voeren onderhoud om te voldoen aan de zorgplichten vanuit het Bbl. Frank Arentsen Senior Consultant Brandveiligheid